ECLI:NL:CRVB:2025:344
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om zijn AOW-pensioen met 56% te korten vanwege een niet-verzekerde periode van afgerond 28 jaar. De Svb had bij besluit van 13 januari 2017 het AOW-pensioen vastgesteld op 44% van het maximale pensioen voor een gehuwde, gebaseerd op de niet-verzekerde perioden van 14 mei 1967 tot 10 oktober 1968 en van 13 november 1972 tot 6 april 2000.
Appellant betwistte deze korting en verzocht om herziening, maar dit verzoek werd door de Svb afgewezen. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat geen verifieerbaar bewijs was geleverd dat de gegevens waarop de Svb zich baseerde onjuist waren. Appellant erkende dat hij in de niet-verzekerde perioden wel in Duitsland verzekerd was.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De Raad benadrukt dat de hoogte van het AOW-pensioen niet afhankelijk is van de hoogte van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of inkomsten uit arbeid. Tevens heeft appellant geen recht op een toeslag voor zijn echtgenote omdat hij pas in 2017 recht kreeg op AOW en niet vóór 1 januari 2015 gehuwd was.
De uitspraak van 27 februari 2025 vervangt de mondelinge uitspraak van 20 november 2023 en is definitief; tegen deze schriftelijke uitspraak kan geen nieuw beroep in cassatie worden ingesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de korting van 56% op het AOW-pensioen wordt bevestigd.