ECLI:NL:CRVB:2025:423

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
19 maart 2025
Zaaknummer
23/110 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel. Tijdens de zitting op 25 juni 2024 bereikten partijen een schikking waarna appellant het hoger beroep ter zitting introk. Op 7 augustus 2024 verzocht appellant de Raad om het college te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Het college reageerde hierop bij brief van 28 oktober 2024. De Raad stelde het onderzoek ter zitting achterwege en sloot het onderzoek.

Volgens artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift in de kosten worden veroordeeld indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener tegemoet is gekomen. Dit verzoek moet gelijktijdig met de intrekking worden gedaan. In dit geval werd het verzoek pas later ingediend, waardoor het niet-ontvankelijk is.

Daarnaast hebben partijen elkaar finale kwijting verleend tijdens de zitting, waardoor het college niet veroordeeld kan worden in de proceskosten. De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk en sluit de procedure af met deze uitspraak van 11 maart 2025.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet gelijktijdig met de intrekking van het hoger beroep is ingediend.

Uitspraak

Datum uitspraak: 11 maart 2025
23/110 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
30 november 2022, 21/530
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het hoger beroep is op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Ter zitting zijn partijen tot een schikking gekomen, waarna appellant het hoger beroep op zitting heeft ingetrokken.
Bij brief van 7 augustus 2024 heeft appellant de Raad verzocht het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
Het college heeft bij brief van 28 oktober 2024 gereageerd op het verzoek van appellant.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard indien dit niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het beroep. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat partijen op de zitting van 25 juni 2024 een schikking overeen zijn gekomen. Vervolgens heeft appellant zijn hoger beroep ter zitting ingetrokken en is de procedure beëindigd.
De Raad stelt vast dat het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling niet tegelijk is gedaan met de intrekking van het hoger beroep, nu appellant zijn verzoek op 7 augustus 2024 heeft ingediend. Om deze reden zal de Raad het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Overigens hebben partijen elkaar op zitting over en weer finale kwijting verleend, wat er toe leidt dat het college niet veroordeeld kan worden in de door appellant gemaakte kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om proceskostenveroordeling
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A. Giesen