ECLI:NL:CRVB:2025:500
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlenging aflosfase studiefinanciering op grond van keuze inkomen partner niet mee te tellen
Appellant heeft studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000, waaruit een studieschuld is voortgekomen. De aflosfase van deze schuld is gestart in 2008. Appellant is gehuwd sinds 2012 en heeft aanvankelijk verzocht het inkomen van zijn partner niet mee te laten tellen bij de draagkrachtberekening, wat vanaf 2016 wel werd meegenomen. In 2022 stelde de minister de resterende aflosfase vast op 43 maanden, waartegen appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de minister terecht de aflosfase op 43 maanden heeft vastgesteld conform artikel 10a.11, tweede lid, Wsf 2000. Appellant was voldoende geïnformeerd over de gevolgen van zijn keuze en de hardheidsclausule werd terecht niet toegepast omdat geen onbillijkheid van overwegende aard was vastgesteld.
In hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Zelfs indien bijzondere omstandigheden zouden bestaan die niet door de wetgever zijn verdisconteerd, is er geen strijd met het evenredigheidsbeginsel die toepassing van artikel 10a.11, tweede lid, Wsf 2000 in de weg staat. De Raad benadrukt dat appellant van 2017 tot 2023 geen aflossingen hoefde te doen wegens gebrek aan draagkracht en vanaf 2024 slechts een gering bedrag hoeft af te lossen.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlenging van de aflosfase op 43 maanden vanwege de keuze van appellant om het inkomen van zijn partner niet mee te tellen.