Uitspraak
11 maart 2024, 23/4637 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
A.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar het beroepschrift werd niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. De uitspraak waartegen het hoger beroep was gericht, werd op 11 maart 2024 aan appellante toegezonden. Deze werd echter geweigerd en niet opgehaald, waarna de rechtbank de uitspraak opnieuw verzond met de mededeling dat de termijn voor hoger beroep niet opnieuw zou starten.
Het beroepschrift werd uiteindelijk op 13 augustus 2024 ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn. Appellante voerde aan dat haar ziekte de reden was voor de vertraging, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar ziekte niet in staat was het poststuk tijdig af te halen. De Raad oordeelde dat het weigeren en niet ophalen van het aangetekende poststuk binnen de risicosfeer van appellante valt.
Daarom is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder verder onderzoek. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 10 januari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift.