Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:288

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25/1545 TSBH-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen beroepschrift

Appellante heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam hoger beroep ingesteld. De aangevallen uitspraak is op 26 mei 2025 aan partijen toegezonden, waardoor de termijn voor het indienen van het beroepschrift liep van 27 mei tot en met 7 juli 2025. Het beroepschrift is echter pas op 30 juli 2025 ontvangen, dus na afloop van de beroepstermijn.

Appellante voerde aan dat zij twijfelde over het instellen van hoger beroep en dat de drukte rondom de bruiloft van haar zoon op 19 juli 2025 een rol speelde bij de vertraging. De Raad oordeelt dat deze omstandigheden geen bijzondere reden vormen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Appellante had met een eenvoudig briefje tijdig hoger beroep kunnen instellen en de gronden later indienen.

Daarom is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van het geschil. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van het beroepschrift zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

25.1545 TBSH-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2025, 24/6878 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: J.A. Adjei-Asamoah
Appellante is op 19 februari 2026 verschenen ter zitting.
De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van der Voorn.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
2. Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
3. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. De belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn in dit verband niet bepalend.
4. De aangevallen uitspraak is op 26 mei 2025 in afschrift bij aangetekende brief en digitaal aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 27 mei 2025 en geëindigd is op 7 juli 2025.
5. Het hogerberoepschrift is op 30 juli 2025 ontvangen en is dus na afloop van de hogerberoepstermijn ingediend.
6. Appellante heeft bij brief van 2 oktober 2025 en op zitting aangevoerd dat zij pas na afloop van de wettelijke termijn hoger beroep heeft ingesteld, omdat zij eerst twijfelde of zij in hoger beroep moest gaan. Toen zij die beslissing had genomen wilde zij goed nadenken over de gronden waarop zij haar hoger beroep zou baseren. Ook de drukte rondom de bruiloft van haar zoon op 19 juli 2025 speelde een grote rol. Na de bruiloft is appellante, zo begrijpt de Raad, vergeten om tijdig een hogerberoepschrift in te dienen.
7. Appellante heeft daarmee geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar mag worden geacht. Om de termijn veilig te stellen had appellante met een eenvoudig briefje tijdig hoger beroep kunnen instellen. De gronden van dit hoger beroep had zij dan op een later moment mogen indienen.
8. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, zodat moet worden beslist zonder verder onderzoek.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum