Uitspraak
25.2465 WSF, 25/2509 WSF
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker ontving studiefinanciering voor een mbo-opleiding in België, waarbij de aanvullende beurs en lening na onderzoek en herberekening over verschillende jaren werden vastgesteld. Verzoeker vroeg schadevergoeding wegens de vertraagde toekenning van studiefinanciering, met verwijzing naar gemaakte kosten, reputatieschade, immateriële schade en betalingsproblemen.
De minister wees het verzoek af vanwege het ontbreken van onderbouwing met verifieerbare en objectieve bewijsstukken. De rechtbank kende slechts een geringe wettelijke rente toe en wees de rest van de schadevergoeding af wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van causaal verband.
In hoger beroep stelde verzoeker dat emotionele en reputatieschade moeilijk te bewijzen zijn, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat zonder enige objectieve onderbouwing geen vaststelling van schade mogelijk is. Zelfs bij veronderstelde onrechtmatigheid is de wettelijke rente voldoende vergoeding voor de vertraagde uitbetaling.
Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens vertraagde studiefinanciering wordt afgewezen vanwege gebrek aan onderbouwing en causaal verband.