Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:348

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/2036 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. Serno
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:113 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Wmo 2015

Appellant, geboren in 1949, ontving tot 1 januari 2023 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. Na een aanvraag tot verlenging in november 2022 weigerde het college deze na 28 februari 2023 te verstrekken, gebaseerd op een advies van een verzekeringsarts van Stichting SAP. Appellant maakte bezwaar en kreeg in eerste aanleg geen gelijk van de rechtbank.

In hoger beroep overwoog de Raad dat het advies van de verzekeringsarts onvoldoende gemotiveerd was en dat de contra-expertise en aanvullende rapportage van Trompetter & Partners, waarin werd vastgesteld dat appellant beperkt is in het uitvoeren van zware en lichte huishoudelijke taken, overtuigend en consistent waren. Het college had onvoldoende rekening gehouden met deze beperkingen en de gebrekkige onderbouwing van het oorspronkelijke advies.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de proceskosten en griffierecht, en droeg het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd bepaald dat beroep tegen het nieuwe besluit alleen bij de Raad kan worden ingesteld. Het verzoek van appellant tot schadevergoeding werd afgewezen, maar hij kreeg een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het college tot weigering van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2036 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 juli 2024, 23/10632 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 25 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het college terecht heeft geweigerd appellant op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning na 27 februari 2023 te verstrekken. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit geen standhoudt en draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden schade. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere stukken ingediend, waaronder een contra-expertise en een aanvullende rapportage van medisch adviseur M.C. Heus, arts bij Trompetter & Partners. Het college heeft een nadere reactie ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.L. Verbunt en M.C.J.J. den Biggelaar.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1949, is bekend met diverse lichamelijke klachten. Appellant ontving tot en met 1 januari 2023 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning voor twee uur en vijftien minuten per week.
1.2.
Appellant heeft op 18 november 2022 een aanvraag voor verlenging van deze maatwerkvoorziening ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts van Stichting SAP op verzoek van het college onderzoek verricht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 6 december 2022.
1.3.
Met een besluit van 16 februari 2023 heeft het college de eerder verstrekte maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning verlengd tot 28 februari 2023 en de aanvraag voor het overige afgewezen. Het college heeft daaraan, verwijzend naar het advies van Stichting SAP, ten grondslag gelegd dat appellant de huishoudelijke taken verdeeld over de week en dag zelfstandig kan uitvoeren. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.4.
Met een besluit van 19 september 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 februari 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het college veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet meer op grond van de Wmo 2015 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de in hoger beroep overgelegde contra-expertise van 20 augustus 2025 en de aanvullende rapportage van 31 december 2025 van Trompetter & Partners. Appellant stelt verder schade te hebben geleden, zijnde de kosten voor de door hem ingeschakelde huishoudelijke hulp vanaf 27 februari 2023.
Het standpunt van het college
4. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is en schaart zich achter de aangevallen uitspraak. Volgens het college ziet de contra-expertise van Trompetter & Partners niet op de situatie van appellant ten tijde van de besluitvorming. Daarnaast heeft het college gewezen op hulpmiddelen waarmee een deel van de belemmeringen van appellant in het huishouden kan worden ondervangen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De te beoordelen periode in deze zaak loopt van 18 november 2022 (datum aanvraag) tot en met 19 september 2023 (datum bestreden besluit).
5.2.
De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet op een toereikende motivering berust door daaraan, onder verwijzing naar het medische advies van de verzekeringsarts van Stichting SAP, ten grondslag te leggen dat appellant de huishoudelijke taken verdeeld over de week en dag zelfstandig kan uitvoeren.
5.3.
De verzekeringsarts van Stichting SAP heeft in zijn rapport van 6 december 2022 vastgesteld dat appellant onder meer beperkt is in staan, knielen, kruipen en hurken, armfunctie en het tillen van zware voorwerpen. Verder is sprake van troebel zicht en een verminderde visus van het rechteroog. Op de vraag van het college of appellant in staat is de huishoudelijke taken op eigen kracht uit te voeren, heeft de verzekeringsarts geantwoord dat appellant hiertoe, verdeeld over de week en dag, in staat moet zijn. De verzekeringsarts heeft echter niet gemotiveerd waarom en op welke wijze appellant, ondanks de vastgestelde beperkingen, in staat moet worden geacht om de huishoudelijke taken op eigen kracht verdeeld over de week en dag uit te voeren. Verder had de verzekeringsarts aanvankelijk in zijn rapport geconcludeerd dat er “…een indicatie [is] voor een voorziening”. Het college heeft de verzekeringsarts verzocht het advies op dit punt te rectificeren, omdat het aan het college is om te beoordelen of er een aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening en niet aan de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft vervolgens de zin over de indicatie voor een voorziening verwijderd. Het college heeft echter niet onderkend dat met het verwijderen van die zin de gebrekkige onderbouwing van het advies niet is verdwenen.
5.4.
Daar komt bij dat de medisch adviseur van Trompetter & Partners in de rapporten van 20 augustus 2025 en 31 december 2025 tot een andere conclusie komt dan de verzekeringsarts van Stichting SAP. Deze rapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn, anders dan het rapport van de verzekeringsarts van Stichting SAP, inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komen de Raad overtuigend voor. De medisch adviseur heeft appellant gezien, het dossier bestudeerd en een brief van de huisarts van appellant met de daarbij gevoegde verslagen van beeldvormende onderzoeken betrokken. Hij heeft vervolgens geoordeeld dat objectief medisch gezien is vast te stellen dat appellant problemen ondervindt in het uitvoeren van de huishoudelijke taken. Het betreft de taken waarvoor appellant langer moet staan, herhaald in gebogen houding moet werken en waarbij hij meer armkracht moet zetten. Het in gebogen of reikende houding kracht zetten met de dominante arm is beperkt mogelijk, wat het afnemen van oppervlakten (ramen, tegelwanden, deuren) belemmert. Appellant kan niet met een trap werken. Het staan op een trap vormt bij de rugklachten een risico, omdat pijnklachten tot een balansverstoring kunnen leiden. Bij het gebruik van een opstap moet appellant met één hand steunen, wat zijn mogelijkheden om schoonmaakactiviteiten uit te voeren belemmert. Daarmee is appellant praktisch gezien beperkt in het uitvoeren van de zware huishoudelijke taken. Het niet herhaald kunnen buigen/bukken en de problemen met reiken maken dat ook de lichte taken op laagte en hoogte door appellant niet uit te voeren zijn. Volgens de medisch adviseur is het opdelen van het schoonmaken in deeltaken geen oplossing, omdat de taken dan te klein worden om efficiënt te kunnen schoonmaken.
5.5.
In reactie op het rapport van Trompetter & Partners heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de contra-expertise ziet op de situatie, belemmeringen en stoornissen van appellant in 2025 en niets weergeeft over de situatie van 2023. De Raad volgt het college daarin niet. De medisch adviseur van Trompetter & Partners heeft in zijn aanvullende rapportage van 31 december 2025 overtuigend gemotiveerd dat de beperkingen van appellant in het uitvoeren van de huishoudelijke taken ook aanwezig waren ten tijde van de te beoordelen periode. Zo heeft de medisch adviseur zijn contra-expertise mede gebaseerd op het beeldvormend onderzoek van 11 oktober 2023. De daarin beschreven bevindingen berusten op chronische degeneratieve processen. Deze zullen volgens de medisch adviseur ook hiervóór tot belemmeringen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken hebben geleid.
5.6.
Ten aanzien van de door het college in zijn reactie van 8 oktober 2025 voorgestelde hulpmiddelen (verlengstok en robotstofzuiger/dweil) heeft de medisch adviseur van Trompetter & Partners in zijn aanvullende rapportage van 31 december 2025 gemotiveerd aangegeven waarom deze hulpmiddelen geen adequate oplossing bieden. De medisch adviseur heeft aangegeven dat een robotstofzuiger/dweil niet kan worden ingezet op moeilijk bereikbare plaatsen waar appellant met zijn beperkingen ook niet bij kan. Ten aanzien van de verlengstok heeft de medisch adviseur opgemerkt dat door de lengte van de steel meer kracht nodig is om schoon te maken. Afstoffen met een plumeau zal wel lukken, maar oppervlakten afnemen met een wisser op steel zal geen adequaat resultaat geven met de beperkingen van appellant, aldus de medisch adviseur. Voor zover het college van mening is dat een dergelijk oordeel over hulpmiddelen is voorbehouden aan een ergotherapeut, zoals ter zitting gesteld, overweegt de Raad dat het op de weg van het college had gelegen om dan een ergotherapeut in te schakelen. Nu het college dit niet heeft gedaan, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan wat de medisch adviseur van Trompetter & Partners hierover heeft geschreven.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat de conclusies uit het rapport van de verzekeringsarts van Stichting SAP niet kunnen worden gevolgd en dat het college de afwijzing van de maatwerkvoorziening daarop dan ook niet heeft kunnen baseren. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt dus. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, met uitzondering van de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu met de rapporten van de medisch adviseur van Trompetter & Partners voldoende is komen vast te staan dat appellant vanaf 28 februari 2023 beperkt is in het uitvoeren van zware huishoudelijke taken en de lichte huishoudelijke taken op laagte en hoogte, acht de Raad het passend dat aan betrokkene in de nieuwe beslissing op bezwaar een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt. Een nader onderzoek daartoe is dan ook niet nodig. Omdat de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning nog niet vaststaat, kan de Raad niet zelf voorzien. De Raad kan dan ook niet de omvang van de door appellant geleden schade vaststellen. Het college zal dan ook worden opgedragen om in de nieuwe beslissing op het bezwaar ook te beslissen op het verzoek van appellant tot vergoeding van schade. De Raad zal daarom het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot het vergoeden van schade afwijzen.
5.8.
Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
5.9.
Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellant een vergoeding voor de proceskosten die hij in hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. De kosten van de rapporten van Trompetter & Partners en de reiskosten van appellant in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Deze bedragen € 1.161,60 voor de rapportage van 20 augustus 2025, € 387,20 voor de aanvullende rapportage van 31 december 2025 en € 33,16 voor de reiskosten in hoger beroep. Het college heeft ter zitting verklaard in te stemmen met het vergoeden van deze kosten als het hoger beroep slaagt. Het totale bedrag aan proceskosten bedraagt € 3.449,96. Appellant krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen over de proceskosten en het griffierecht;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2023;
  • draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.449,96;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
(getekend) B. Serno
(getekend) M. Dafir