ECLI:NL:CRVB:2026:54
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen de vaststelling van arbeidsongeschiktheid en proceskostenveroordeling in het kader van de Wet WIA
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) betreffende de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid. Appellant, die zich ziek had gemeld met reumatische klachten, betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid die door het Uwv was vastgesteld. Het Uwv had de arbeidsongeschiktheid per 16 juni 2021 vastgesteld op 45,72% en per 16 augustus 2021 op 46,16%. Appellant stelde dat hij meer beperkingen had dan het Uwv had aangenomen en dat hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kon vervullen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 31 januari 2024, waarbij appellant werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.H. Brouwer. Na de zitting is het onderzoek heropend en is een onafhankelijke deskundige, verzekeringsarts L. Greveling-Fockens, benoemd om de medische situatie van appellant te onderzoeken. De deskundige concludeerde dat er aanleiding was voor aanvullende beperkingen, maar geen reden voor een urenbeperking. Het Uwv heeft vervolgens zijn besluit aangepast en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het Uwv met het gewijzigde besluit niet geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant, maar dat het hoger beroep tegen het eerdere besluit van het Uwv niet slaagde. De Raad heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant, die in totaal € 7.120,25 bedragen, en heeft bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant vergoedt. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door de voorzitter en de griffier.