ECLI:NL:CRVB:2026:54

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/564 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen de vaststelling van arbeidsongeschiktheid en proceskostenveroordeling in het kader van de Wet WIA

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) betreffende de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid. Appellant, die zich ziek had gemeld met reumatische klachten, betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid die door het Uwv was vastgesteld. Het Uwv had de arbeidsongeschiktheid per 16 juni 2021 vastgesteld op 45,72% en per 16 augustus 2021 op 46,16%. Appellant stelde dat hij meer beperkingen had dan het Uwv had aangenomen en dat hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kon vervullen.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting op 31 januari 2024, waarbij appellant werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.H. Brouwer. Na de zitting is het onderzoek heropend en is een onafhankelijke deskundige, verzekeringsarts L. Greveling-Fockens, benoemd om de medische situatie van appellant te onderzoeken. De deskundige concludeerde dat er aanleiding was voor aanvullende beperkingen, maar geen reden voor een urenbeperking. Het Uwv heeft vervolgens zijn besluit aangepast en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld.

De Raad oordeelde dat het Uwv met het gewijzigde besluit niet geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant, maar dat het hoger beroep tegen het eerdere besluit van het Uwv niet slaagde. De Raad heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant, die in totaal € 7.120,25 bedragen, en heeft bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant vergoedt. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Uitspraak

23/564 WIA, 25/1406 WIA
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 januari 2023, 22/301 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 juni 2021 heeft vastgesteld op 45,72% en per 16 augustus 2021 op 46,16%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 mei 2023 ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 januari 2024. Appellant is verschenen via online videoverbinding, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H. ten Brinke.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
De Raad heeft vragen gesteld aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Appellant heeft hierop gereageerd en aanvullende stukken ingediend.
De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 24 februari 2025 heeft deskundige GrevelingFockens een rapport uitgebracht.
Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv op 28 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft gereageerd op de gewijzigde beslissing op bezwaar.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als projectleider voor gemiddeld 39,77 uur per week. Nadat dit dienstverband was geëindigd, is aan appellant met ingang van 8 september 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 19 juni 2019 heeft hij zich vanuit de WW ziekgemeld met reumatische klachten en jicht. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juni 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 43,69%.
1.2.
Bij besluit van 16 juni 2021 heeft het Uwv aan appellant met ingang van dezelfde dag een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.3.
Bij besluit van 25 juni 2021 heeft het Uwv beslist dat de loongerelateerde WGA-uitkering per 16 augustus 2021 wordt omgezet in een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.4.
Bij besluit van 3 juni 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 juni 2021 en 25 juni 2021 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Met deze rapporten is niet afgeweken van de primaire beoordeling.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat gezien de verrichte onderzoeksactiviteiten, het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant met het ingebrachte rapport van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort, onvoldoende overtuigend gemotiveerd dat sprake is van verdergaande beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Hierbij heeft de rechtbank onder meer van belang geacht dat het onderzoek door Van Amelsfoort meer dan een jaar na de data in geding is verricht en hieraan geen nieuwe medische feiten ten grondslag zijn gelegd. Appellant heeft volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de fysieke en psychische klachten ten tijde van het onderzoek door Van Amelsfoort reeds speelden op de data in geding. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in tegenstelling tot wat appellant aanvoert, wel degelijk de door de reumatoloog vastgestelde diagnose van fibromyalgie betrokken. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarnaast voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant. De rechtbank heeft hierbij benadrukt dat de subjectieve klachtenbeleving niet beslissend is bij het vaststellen van beperkingen in het kader van onderhavige beoordeling, maar dat de medisch te objectiveren beperkingen hierbij centraal staan.
Het hoger beroep van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de bevindingen van verzekeringsarts Van Amelsfoort en arbeidsdeskundige M. Overduin in het door hem in beroep ingebrachte rapport van 7 juli 2022 niet volgt. Van Amelsfoort heeft een eigen onderzoek gericht op de data in geding uitgevoerd en de bevindingen uit het rapport worden ondersteund door de informatie van de behandelend sector. Volgens appellant is in ieder geval sprake van aanvullende beperkingen in verband met de psychische klachten, een verdergaande beperking voor lopen en een urenbeperking. De standpunten van Van Amelsfoort zijn onderbouwd met medische feiten die volgens appellant door de verzekeringsartsen van het Uwv niet zijn gezien dan wel onvoldoende zijn meegewogen. Omdat sprake is van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn opgenomen, zijn de geduide functies niet geschikt. Appellant heeft nog een aanvullende rapportage van Van Amelsfoort van 15 februari 2023 ingebracht.
3.1.
Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend en is de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevraagd gemotiveerd te reageren op de conclusies van verzekeringsarts Van Amelsfoort met betrekking tot de psychische klachten van appellant. In het rapport van 18 maart 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de beschreven psychosociale problematiek al bekend was en dat de bevindingen tijdens de primaire beoordeling en de beoordeling in bezwaar geen aanleiding geven om beperkingen aan te nemen wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren. De medische stukken werpen hier volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen ander licht op en de mate waarin sprake is van klachten en belemmeringen kan er niet uit herleid worden. In reactie hierop heeft Van Amelsfoort in het aanvullend rapport van 15 mei 2024 geconcludeerd dat er geen reden is zijn eerdere conclusies te herzien.
3.2.
Door het verschil van inzicht tussen de verzekeringsartsen van het Uwv en de door betrokkene ingeschakelde verzekeringsarts Van Amelsfoort, is twijfel ontstaan over de medische belastbaarheid van betrokkene zoals verwoord in de FML van 2 juni 2021. Daarom is aanleiding gezien een verzekeringsarts als deskundige te benoemen. Verzekeringsarts Greveling-Fockens heeft op 24 februari 2025 een rapport uitgebracht en daarin geconcludeerd dat per beide data in geding aanleiding bestaat tot het aannemen van enkele aanvullende beperkingen voor appellant in de rubrieken 1, 2 en 4 dan al zijn opgenomen in de FML van 2 juni 2021. Verzekeringsarts Greveling-Fockens heeft geen aanleiding gezien voor het aannemen van een urenbeperking.
3.3.
Appellant heeft in zijn zienswijze op het rapport van de deskundige aangevoerd dat door fibromyalgie sprake is van meer fysieke beperkingen dan door de deskundige is onderkend. Daarnaast vindt appellant het niet begrijpelijk dat de deskundige hem in staat acht veertig uur per week en acht uur per dag te kunnen werken, nu hij van het Uwv Werkbedrijf te horen heeft gekregen dat hij niet voor veertig uur per week geplaatst kan worden.
3.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de aanvullende beperkingen van de deskundige volledig overgenomen en een nieuwe FML van 28 maart 2025 opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 22 april 2025 geconcludeerd dat verschillende geselecteerde functies in verband met de aangepaste belastbaarheid niet langer geschikt zijn en heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend.
3.5.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar 28 april 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 juni 2021 wordt vastgesteld op 45,72%. Daarnaast heeft het Uwv bepaald dat de WGA-vervolguitkering van appellant per 16 augustus 2021 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 46,16% en appellant daarmee in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% valt. Verder heeft het Uwv de kosten van bezwaar vergoed tot een bedrag van € 647,-.
Het oordeel van de Raad
4. Nu het Uwv door het nemen van bestreden besluit 2 het bij bestreden besluit 1 ingenomen standpunt niet langer handhaaft, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd evenals het bestreden besluit 1.
4.1.
Met bestreden besluit 2 is niet geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad zal dit besluit daarom, gezien het bepaalde in artikel 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in de beoordeling betrekken. Ter beoordeling ligt daarom of het Uwv met bestreden besluit 2 terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 16 juni 2021 heeft vastgesteld op 45,72% en per 16 augustus 2021 op 46,16%, en daarbij terecht de WGA-vervolguitkering per 16 augustus 2021 baseert op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen bestreden besluit 2 niet slaagt.
4.2.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De deskundige heeft appellant gezien op een spreekuur op 6 februari 2025 en heeft daarnaast dossieronderzoek verricht. De informatie van de behandelend sector en de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn door de deskundige kenbaar bij het onderzoek betrokken. Er is geen aanleiding het rapport en de hierin getrokken conclusies van de deskundige niet te volgen. Wat appellant hiertegenover heeft gesteld geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. De deskundige heeft overtuigend onderbouwd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en dat op de data in geding (nog) geen sprake is van een depressieve stoornis. Wel is volgens de deskundige op de data in geding sprake van spannings/stemmingsklachten, in verband waarmee dan ook aanvullende beperkingen worden aangenomen. Wat betreft de fysieke klachten heeft de deskundige het lopen verdergaand beperkt, in lijn met de conclusie van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Van Amelsfoort. Daarnaast zijn door de deskundige nog andere aanvullende fysieke beperkingen aangenomen in verband met de fibromyalgieklachten van appellant, welke beperkingen bovendien verder strekken dan die zijn voorgestaan door de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Van Amelsfoort. Appellant heeft niet onderbouwd waarom de verdergaande fysieke beperkingen nog steeds onvoldoende zijn. Verder heeft de deskundige aan de hand van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid inzichtelijk onderbouwd dat rekening houdend met de door haar toegevoegde beperkingen geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Hierbij heeft de deskundige onder meer uiteengezet dat geen sprake is van een aandoening die gepaard gaat met een patroon van overschrijding van eigen grenzen, zelfoverschatting en/of een beperkt ziektebesef. Hierom ziet de deskundige, anders dan Van Amelsfoort, geen reden om appellant op preventieve gronden aangewezen te achten op een urenbeperking. Wat appellant hiertegenover stelt, namelijk dat het Uwv Werkbedrijf hem niet voor veertig uur kan plaatsen, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
4.4.
In wat appellant heeft aangevoerd worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies die ten grondslag liggen aan de berekening van de arbeidsongeschiktheidspercentages zoals bepaald in bestreden besluit 2, in medisch opzicht voor appellant niet geschikt zouden zijn.
Proceskosten
5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van€ 934,-) en op € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 maart 2024 en 0,5 punt voor de reactie op het rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast komen voor vergoeding in aanmerking de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken voor het inschakelen van een deskundige. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de rapporten van Van Amelsfoort ter hoogte van in totaal € 2.450,25 (inclusief BTW). Het Uwv heeft dat bedrag niet betwist. De totale proceskostenveroordeling bedraagt € 7.120,25. Ook bestaat aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van januari 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 april 2025 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 7.120,25;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) S. Wijna
De griffier is verhinderd te ondertekenen.