Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:568

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/1049 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 6:22 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen op 18e verjaardag

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op 9 augustus 2023, stellende dat hij op zijn 18e verjaardag duurzaam geen arbeidsvermogen had vanwege ASS en ADHD. Het UWV weigerde de uitkering, omdat appellant volgens hen op datum aanvraag over arbeidsvermogen beschikte. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat appellant op datum aanvraag arbeidsvermogen had, en paste artikel 6:22 Awb Pro toe om dit gebrek te passeren.

In hoger beroep stelde appellant dat hij duurzaam geen basale werknemersvaardigheden had en verwees naar rapporten van een verzekeringsarts. Het UWV bracht tegenrapporten in waaruit bleek dat appellant in de relevante periode tussen 18 en 23 jaar wel arbeidsvermogen had, onder meer omdat hij een HAVO-diploma behaalde en HBO-opleidingen volgde. De Raad volgde het standpunt van het UWV en oordeelde dat appellant wel degelijk arbeidsvermogen had in de relevante periode.

De Raad stelde vast dat de vraag naar de duurzaamheid van het verlies van arbeidsvermogen op datum aanvraag onbeantwoord kan blijven, omdat appellant op zijn 18e verjaardag over arbeidsvermogen beschikte. Het hoger beroep werd afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellant op zijn 18e verjaardag over arbeidsvermogen beschikte.

Uitspraak

25/1049 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 april 2025, 24/2980 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 2016 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een rapport van drs. D. van Arkel, verzekeringsarts, ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd met rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Appellant heeft daarop een reactie van verzekeringsarts Van Arkel ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oosterhuis-Putter. Tevens zijn verschenen [naam ambulant begeleider 1] en [naam ambulant begeleider 2] , (ambulant) begeleiders van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1998, heeft met een door het Uwv op 9 augustus 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van GZ-psycholoog W. van Aken van 25 maart 2012. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant in verband met het ontbreken van basale werknemersvaardigheden weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 29 december 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 21 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag, waarin – in afwijking van het besluit van 29 december 2023 – is vastgesteld dat appellant op datum aanvraag (9 augustus 2023) arbeidsvermogen heeft.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat bij appellant sprake is van het syndroom van Asperger en ADHD en dat hij op zijn achttiende jaar hiervan arbeidsbeperkingen ondervond. Volgens de rechtbank zijn de beperkingen van appellant als gevolg van deze aandoeningen zorgvuldig door de verzekeringsartsen in beeld gebracht.
2.2.
Volgens de rechtbank heeft het Uwv echter onvoldoende gemotiveerd dat de geselecteerde taak ‘scannen’ passend is op het onderdeel probleem oplossen en zelfstandigheid. Daarmee heeft het Uwv ook niet goed gemotiveerd dat bij appellant thans sprake is van arbeidsvermogen. De vraag of appellant voldoet aan de andere voorwaarden voor het aannemen van arbeidsvermogen behoeft daarmee volgens de rechtbank geen verdere bespreking. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft aanleiding gezien om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat appellant hierdoor volgens de rechtbank niet is benadeeld. Ook zonder dit motiveringsgebrek zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Er bestaat alleen recht op een Wajong-uitkering als het arbeidsvermogen ook duurzaam ontbreekt. Volgens de rechtbank heeft het Uwv wel goed gemotiveerd dat deze duurzaamheid op de datum van de aanvraag (9 augustus 2023) ontbreekt. De begeleiders van appellant bij de dagbesteding zijn met appellant bezig met het aanleren van basale werknemersvaardigheden, zoals op tijd komen en zich sociaal passend gedragen. De ambulant begeleider van appellant helpt verder bij het trainen van zijn zelfstandigheid. Medisch gezien acht de verzekeringsarts ontwikkelmogelijkheden bij appellant zeker niet uitgesloten. Gezien de leerbaarheid van appellant is de ontwikkeling naar arbeidsvermogen in een beschutte werkomgeving niet uit te sluiten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank, dat zijn verlies van arbeidsvermogen op 9 augustus 2023 niet duurzaam is, bestreden. Door de complexe autisme spectrum stoornis (ASS) en ADHD kan appellant zich niet zodanig ontwikkelen dat alsnog arbeidsvermogen kan ontstaan. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant verwezen naar het in beroep ingebrachte rapport van de onafhankelijke verzekeringsarts Van Arkel van 29 augustus 2024, en diens aanvullende rapporten van 11 november 2024, 10 september 2025 en 6 maart 2026. Volgens appellant beschikt hij op zijn achttiende jaar (duurzaam) niet over basale werknemersvaardigheden, is hij niet in staat een uur aaneengesloten te werken, is hij niet gedurende vier uur per dag belastbaar en is hij niet in staat om een taak in een arbeidsorganisatie te verrichten.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Ter motivering heeft het Uwv in hoger beroep verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 oktober 2025 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 januari 2026. Daarin wordt het standpunt van Van Arkel, dat er in verband met de ASS en ADHD voor appellant geen enkel zicht is op ontwikkeling van arbeidsvermogen, volgens het Uwv weerlegd. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in die rapporten voorts het standpunt ingenomen dat appellant – anders dan Van Arkel stelt – in de voor de Wajong relevante periode tussen het achttiende en 23e jaar beschikte over arbeidsvermogen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan appellant de taak ‘handmatig afwassen’ in een arbeidsorganisatie verrichten.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Niet in geschil is dat bij appellant op het achttiende jaar ( [geboortedatum] 2016) sprake was van beperkingen ten gevolge van ASS en ADHD. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, en het tweede lid van de Wajong is appellant dan als jonggehandicapte aan te merken als hij op [geboortedatum] 2016, dan wel binnen vijf jaar na die dag, duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als gevolg van die beperkingen. Omdat appellant zijn aanvraag na deze voor de Wajong relevante periode van [geboortedatum] 2016 tot [geboortedatum] 2021 heeft ingediend, is sprake van een zogeheten laattijdige aanvraag.
5.2.
Indien een betrokkene op de datum van zijn laattijdige aanvraag niet beschikt over arbeidsvermogen, moet naar vaste rechtspraak – mede gelet op eventuele (toekomstige) aanspraken van de betrokkene na afloop van de in artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong genoemde periode van tien jaar – worden onderzocht of het arbeidsvermogen in de periode, bedoeld in het eerste en tweede lid, van dat artikel verloren is gegaan. [1]
5.3.
Nu de rechtbank het standpunt van het Uwv, dat appellant op datum aanvraag beschikte over arbeidsvermogen, onvoldoende gemotiveerd oordeelde, heeft de rechtbank het Uwv ten onrechte niet opgedragen te onderzoeken of het arbeidsvermogen van appellant tussen zijn achttiende en 23e jaar verloren is gegaan en is dit gebrek ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd.
5.4.
In hoger beroep heeft het Uwv – mede in reactie op de rapporten van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Van Arkel – zich alsnog uitgesproken over de aanwezigheid van arbeidsvermogen bij appellant in de voor de Wajong relevante periode. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, dat appellant in periode van [geboortedatum] 2016 tot [geboortedatum] 2021 beschikte over arbeidsvermogen, wordt door de Raad gevolgd.
5.5.
Het Uwv heeft daarbij onderkend dat appellant beperkt is in het zelfstandig ondernemen van taken, structureren en prioriteiten stellen. Appellant heeft moeite met plannen, organiseren en schakelen tussen taken. Hij kan soms in een toestand van ‘hyperfocus’ raken, maar soms ook ‘verzanden’. Hij is aangewezen op werk met een duidelijke structuur waarbij het de leidinggevende is die opdrachten geeft en hem aanspoort op momenten dat hij verzandt. Appellant is daarnaast beperkt in samenwerking en inlevingsvermogen, richten van de aandacht, begrijpen van non-verbale boodschappen en sociale interactie. Hij is aangewezen op een begripvolle werkomgeving en een leidinggevende die bekend is met zijn problematiek en die proactief hulp aanbiedt op momenten dat appellant dreigt vast te lopen en zelf niet onderkent dat hij hulp nodig heeft. De eisen die de taak ‘handmatig afwassen’ qua werk en werkomgeving stelt passen hier volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij.
5.6.
Tegenover het standpunt van Van Arkel, dat appellant op achttienjarige leeftijd niet beschikte over arbeidsvermogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gesteld dat appellant op dat moment een HAVO-opleiding volgde, die hij kort daarna met goed gevolg heeft weten af te ronden, waarna hij nog tot en met 2022 twee HBOopleidingen heeft gevolgd. Dat appellant die HBO-opleidingen – naar eigen zeggen door onvoldoende begeleiding vanuit de onderwijsinstelling – niet heeft kunnen afronden doet er niet aan af dat hieruit blijkt dat appellant wel in staat is opdrachten te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en dat hij afspraken kan nakomen, en hij in die zin in de voor de Wajong relevante periode tot het 23e jaar blijk heeft gegeven te beschikken over basale werknemersvaardigheden. In zijn rapport van 29 augustus 2024 geeft Van Arkel voorts aan dat hij appellant in staat acht om een uur aaneengesloten te werken, mits het gaat om eenvoudige opdrachten en daarbij begeleiding aanwezig is. De Raad merkt op dat naar vaste rechtspraak de noodzaak van permanent toezicht of intensieve begeleiding, al dan niet in een beschutte werkomgeving, niet aan arbeidsvermogen in de weg staat. [2] Het standpunt van het Uwv ten slotte, dat appellant gedurende vier uur per dag belastbaar is, acht de Raad door Van Arkel onvoldoende weersproken. Anders dan Van Arkel meent, geldt in de Wajong voor het aannemen van arbeidsvermogen niet de voorwaarde dat een betrokkene tenminste vier uur
aaneengeslotenbelastbaar moet zijn.
5.7.
Gelet op het voorgaande heeft het Uwv in hoger beroep voldoende onderbouwd dat appellant in de voor de Wajong relevante periode tussen zijn achttiende en 23e jaar ( [geboortedatum] 2016 tot [geboortedatum] 2021) beschikte over arbeidsvermogen. Gelet hierop kan de vraag naar de duurzaamheid van het verlies van arbeidsvermogen op datum aanvraag (9 augustus 2023) onbeantwoord blijven.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong
De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Raad 14 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:64.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:898.