Werknemer was sinds 13 september 2018 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 40,14% per 10 september 2020. Hij betwistte deze mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat hij meer beperkingen had, ondersteund door een eigen verzekeringsarts. Werkgever voerde aan dat de functieselectie onjuist was en dat het UWV onvoldoende transparant en controleerbaar had gehandeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van werknemer ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en het eerdere besluit van het UWV. De Raad benoemde deskundigen die concludeerden dat de beperkingen en functieselectie van het UWV passend waren. De Raad oordeelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op 40,14% en dat de functies medisch passend waren.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep was overschreden met een jaar en zeven maanden. De Raad kende daarom een schadevergoeding toe van € 2.000,-, waarvan € 105,- voor rekening van het UWV en € 1.895,- voor de Staat. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan werknemer vergoed.
De beroepen van werknemer en werkgever tegen het gewijzigde besluit van het UWV werden ongegrond verklaard, waardoor de WIA-uitkering van 40,14% in stand bleef. De Raad veroordeelde het UWV en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan werknemer.