Uitspraak
25 juli 2025, 22/584
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg inzake een AOW-kwestie. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereiste dat het de gronden van het beroep moet bevatten, zoals voorgeschreven in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De gemachtigde van appellant werd bij brief van 12 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen vier weken te herstellen, maar liet deze termijn voorbijgaan. Vervolgens werd bij aangetekende brief van 12 februari 2026 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding tot niet-ontvankelijkheid zou leiden. Ook deze termijn werd niet benut.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen verontschuldigbare redenen zijn voor het verzuim en verklaart het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en uitgesproken op 15 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.