Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
21/111 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:113 AwbArt. 13 Wet WIAArt. 1 Dagloonbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt dagloonbesluit UWV wegens strijd met evenredigheidsbeginsel

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn dagloon door het UWV voor zijn WIA-uitkering per 16 december 2019, vastgesteld op € 79,91. Het UWV weigerde appellant als starter aan te merken op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, omdat hij in de eerste maand van de referteperiode loon had genoten bij een andere werkgever met een afwijkend aangiftetijdvak. Hierdoor werd een deel van het loon toegerekend aan december 2016, wat leidde tot een lagere dagloonberekening.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit in deze bijzondere situatie leidt tot een onredelijk bezwarend resultaat voor appellant, omdat het loon van november 2016 ten onrechte wordt toegerekend aan december 2016. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

De Raad draagt het UWV op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen waarbij de dagloondagen van december 2016 buiten beschouwing worden gelaten. Tevens veroordeelt de Raad de Staat tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.500,- en veroordeelt het UWV en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de eerdere besluiten worden vernietigd.

Uitkomst: Het besluit van het UWV over de dagloonvaststelling wordt vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

21/111 WIA, 25/142 WIA
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2020, 20/954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van appellant voor zijn WIAuitkering per 16 december 2019 terecht heeft vastgesteld op € 79,91. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet kan worden aangemerkt als een starter als bedoeld in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Raad komt tot het oordeel dat de dagloonberekening van het Uwv in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en draagt het Uwv op een nieuwe beslissing te nemen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H Theunissen, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft mr. O. Labordus, opvolgend gemachtigde, nadere gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Labordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend.
De Raad heeft het Uwv verzocht de Raad te informeren of de uitspraken van de Raad van 30 juli 2024 [1] over de berekening van het dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aanleiding geven om in de zaak van appellant tot een ander standpunt te komen. Het Uwv heeft hier bevestigend op geantwoord en op 4 oktober 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Partijen hebben nadere reacties ingediend.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak opnieuw behandeld op een zitting van 6 november 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Labordus. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft zich op 18 december 2017 ziekgemeld uit een dienstverband bij [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ).
1.2.
Bij besluit van 11 november 2019 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 16 december 2019 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat appellant met ingang van die datum 100% arbeidsongeschikt is. Het dagloon is – na indexering – vastgesteld op € 27,25. Daarbij is uitgegaan van een referteperiode die loopt van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017, een SV-loon van in totaal € 6.806,94 en 261 dagloondagen.
1.3.
Het Uwv heeft appellant niet aangemerkt als starter in de zin van artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), omdat appellant in de eerste maand van de referteperiode, te weten december 2016, loon heeft genoten bij [naam B.V. 2] (hierna: [naam B.V. 2] ). [2]
1.4.
Daarbij is het volgende van belang. [naam B.V. 2] hanteerde een aangiftetijdvak van vier weken in tegenstelling tot [naam B.V. 1] , die een aangiftetijdvak van een maand hanteerde en uit welk dienstverband appellant is uitgevallen. Dit aangiftetijdvak van een maand is bepalend geweest voor het vaststellen van de referteperiode, die daardoor is begonnen op 1 december 2016. Daarvan uitgaande is bij [naam B.V. 2] sprake van een gebroken aangiftetijdvak en heeft het Uwv het loon, genoten bij [naam B.V. 2] , omgezet naar een maandloon aan de hand van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit. Dat is als volgt gedaan. In het aangiftetijdvak van 7 november 2016 tot en met 4 december 2016, dat twintig loondagen omvatte, heeft appellant volgens de inkomstenopgaven in Suwinet bij [naam B.V. 2] € 143,07 aan SV-loon ontvangen. Omdat van die twintig loondagen alleen 1 december 2016 en 2 december 2016 in de referteperiode vielen, is van dit loon 2/20 deel, te weten € 14,31, toegerekend aan de maand december 2016. Het Uwv heeft appellant hiervan uitgaande niet aangemerkt als een starter, omdat hij op grond van artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit in het eerste aangiftetijdvak van het refertejaar loon heeft genoten.
1.5.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 november 2019, gericht tegen de hoogte van het dagloon, heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2020 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet als starter als bedoeld in artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit kan worden aangemerkt. Uit de gegevens van Suwinet volgt dat appellant in het eerste aangiftetijdvak van de referteperiode loon heeft genoten en dat dit loon betrekking heeft op twee verloonde uren in dat aangiftetijdvak. De stelling van appellant dat hij niet heeft gewerkt en geen loon heeft ontvangen in december 2016 maakt geen verschil, omdat moet worden uitgegaan van de gegevens zoals deze blijken uit Suwinet. Deze informatie is leidend voor de bepaling of een belanghebbende inkomsten heeft genoten, niet of iemand in een periode al dan niet daadwerkelijk heeft gewerkt. De rechtbank heeft verder overwogen dat deze berekening, waarbij het Uwv toepassing heeft gegeven aan de hoofdregel van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit, een fors verlagend effect heeft voor het dagloon van appellant, maar dat het Dagloonbesluit geen ruimte biedt om af te wijken van de dwingend voorgeschreven berekeningswijze. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. De Raad heeft vaker overwogen [3] dat het begrip starter/herintreder restrictief moet worden uitgelegd. De Raad heeft er daarbij ook op gewezen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de startersregeling uitsluitend betrekking heeft op degene die vanaf de aanvang tot en met de eerste volle maand van de referteperiode in het geheel geen loon uit dienstbetrekking heeft genoten. Aan die voorwaarde voldoet appellant niet, aldus de rechtbank.
Het standpunt van het Uwv
3.1.
Naar aanleiding van de in het procesverloop genoemde uitspraken van de Raad van 30 juli 2024 heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 4 oktober 2024 (bestreden besluit 2) het dagloon van appellant nader vastgesteld op € 79,91. Het Uwv is daarbij uitgegaan van een ongewijzigd SV-loon van € 6.806,94, maar heeft het aantal dagloondagen verminderd met 89 in verband met het wegvallen van loonloze perioden. Dit zijn de dagloondagen van de maanden december 2016 (22), maart 2017 (23), oktober 2017 (22) en november 2017 (22). Verder heeft het Uwv vastgehouden aan het standpunt dat appellant niet kan worden aangemerkt als starter in de zin van artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van de regels van het Dagloonbesluit af te wijken.
Het standpunt van appellant
3.2.
Appellant kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 2. Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 januari 2025 [4] aangevoerd dat het Uwv het dagloon te laag heeft vastgesteld. Volgens appellant heeft het Uwv ten onrechte de dagloondagen van december 2016 meegenomen in de berekening van het dagloon. Appellant heeft in de eerste maand van de referteperiode niet gewerkt noch loon ontvangen. De laatste loonbetaling van [naam B.V. 2] aan appellant vond plaats in de week 46 van 2016, te weten de week van 14 tot en met 20 november 2016 en had betrekking op werkzaamheden van appellant in de periode van 7 tot en met 13 november 2016. Dat het Uwv de startersregeling van artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit niet toepast is volgens appellant in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Het oordeel van de Raad

4. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Daarom komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Met bestreden besluit 2 wordt niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van appellant. De Raad zal dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.
4.1.1.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.
4.1.2.
Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet WIA worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Deze regels zijn vastgesteld bij het Dagloonbesluit.
4.1.3.
Op grond van artikel 1, eerste lid, onder d, van het Dagloonbesluit wordt onder gebroken aangiftetijdvak verstaan: een aangiftetijdvak dat deels binnen en deels buiten de referteperiode, bedoeld in de artikelen 2, 12b en 13, valt.
4.1.4.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt – voor zover hier van belang – onder referteperiode verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
4.1.5.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
4.1.6.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon als volgt berekend:
((A–B) x 108/100 + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;
C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en
D staat voor 261.
4.1.7.
Het tweede lid van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit bepaalt dat in een gebroken aangiftetijdvak de factoren A, B en C worden berekend door het loon of de vakantiebijslag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z waarbij:
Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of uitkeringsverhouding; en
Y staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.
4.1.8.
Een uitzondering op de hoofdregel van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit is geregeld in artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit, de zogenoemde startersregeling. Op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of Pro 15 heeft genoten, vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.
4.1.9.
De Nota van Toelichting bij artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit vermeldt het volgende:
“Als starter/herintreder wordt beschouwd degene die geen loon genoot tot het einde van het eerste volledige aangiftetijdvak van het refertejaar, anders dan wegens onbetaald verlof. Indien een starter/herintreder binnen een jaar na de aanvang van de werkzaamheden arbeidsongeschikt wordt, leidt de toepassing van de hoofdregel tot een dagloon dat niet in een juiste verhouding staat tot het gederfde loon. Om dit te voorkomen wordt bij de toekenning van een Wet WIA- of WAO-uitkering het in het refertejaar vanaf de aanvang van de eerste dienstbetrekking genoten loon gedeeld door het aantal doordeweekse dagen (dagloondagen) vanaf dat moment tot en met de laatste dag van het refertejaar. De regeling geeft een gunstig dagloon voor degene die nog niet vanaf de aanvang van het refertejaar een dienstbetrekking heeft gehad. […] Degene die in het eerste tijdvak van het refertejaar wel loon genoten heeft, waaronder ook begrepen inkomsten die als loon worden aangemerkt, kan geen beroep doen op deze regeling. Zijn dagloon wordt volgens de normale regel vastgesteld.” [5]
4.2.
Niet in geschil is dat de referteperiode loopt van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017. Uitgaande van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant van 18 december 2017 en vanwege het feit dat [naam B.V. 1] een aangiftetijdvak van een maand hanteerde, is op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit de laatste dag van de referteperiode bepaald op 30 november 2017 en begint de referteperiode op 1 december 2016. Ook is niet in geschil dat toepassing van de regels uit het Dagloonbesluit – met inachtneming van de uitspraken van 30 juli 2024 – leidt tot een dagloon van € 79,91. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het Uwv in het geval van appellant op grond van het evenredigheidsbeginsel de dagloondagen van december 2016 buiten beschouwing had moeten laten, omdat het anders leidt tot een onevenredige uitkomst.
4.3.
Uit de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 [6] volgt dat, wanneer het zoals hier gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (‘onder de streep’) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid (onevenredigheid ‘stricto sensu’). Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.
4.4.
Appellant heeft in de eerste maand van de referteperiode, te weten december 2016, noch werkzaamheden verricht noch loon ontvangen uit het dienstverband met [naam B.V. 2] . Appellant heeft voor het laatst in de periode van 7 tot en met 13 november 2016 voor [naam B.V. 2] gewerkt en in de week van 14 tot en met 20 november 2016 voor het laatst loon ontvangen uit dit dienstverband. Dat voor de berekening van het dagloon de dagloondagen van december 2016 zijn meegenomen vindt zijn oorzaak in het volgende.
4.5.
Zoals vermeld, is op grond van artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit de referteperiode bepaald aan de hand van het aangiftetijdvak van het dienstverband waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, te weten het dienstverband bij [naam B.V. 1] . Omdat [naam B.V. 1] een aangiftetijdvak van een maand hanteerde is de referteperiode bepaald op de periode van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017. Omdat [naam B.V. 2] een aangiftetijdvak van vier weken hanteerde, dat voor zover hier van belang liep van 7 november 2016 tot en met 4 december 2016, is wat betreft [naam B.V. 2] in de maand december 2016 sprake van een gebroken aangiftetijdvak. Het Uwv heeft vervolgens op grond van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit berekend welk bedrag aan loon van [naam B.V. 2] kan worden toegerekend aan december 2016.
4.6.
Zoals reeds overwogen in de in 3.2 genoemde uitspraak van de Raad van 9 januari 2025, is het feit dat de regelgever een voorziening heeft willen treffen voor de situatie waarin een werknemer in de referteperiode in dienst is geweest van zowel een werkgever die per vier weken loonaangifte doet als een werkgever die per kalendermaand loonaangifte doet en daarin uniformiteit heeft willen creëren alleszins te billijken. In zijn algemeenheid is het door de regelgever daarvoor gekozen middel geschikt en zal het resultaat daarvan niet op problemen stuiten.
4.7.
In de situatie van appellant is echter door een bijzondere samenloop van omstandigheden sprake van een uitkomst die de regelgever bij het opstellen van het Dagloonbesluit niet zal hebben voorzien. Waar het uitgangspunt van de startersregeling van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit is dat de dagloondagen van het eerste volledige aangiftetijdvak buiten beschouwing worden gelaten als daarin niet feitelijk is gewerkt en geen loon is genoten, leidt in dit geval de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit ertoe dat een deel van het in november 2016 door [naam B.V. 2] betaalde loon aan december 2016 wordt toegerekend, zodat daarmee naar de letter niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit dat in de eerste aangifteperiode van het refertejaar geen loon is genoten. Het gevolg is dat alle (22) dagloondagen van deze maand worden meegenomen bij de berekening van het dagloon. Enkel vanwege het feit dat [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] verschillende aangiftetijdvakken hanteerden, is toepassing gegeven aan artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit en is een bedrag toegerekend aan december 2016. Dat is naar het oordeel van de Raad een onvoorzien effect, dat afbreuk doet aan wat is beoogd met artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Het gaat naar een schatting op basis van de gegevens uit het dossier om een aanzienlijk dagloonverlagend effect van ongeveer € 25,-.
4.8.
Samenvattend is de Raad van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit 2 voor appellant onredelijk bezwarend is. Dit betekent dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit in dit geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat deze toepassing achterwege moet blijven.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De meest gerede oplossing in deze situatie is dat de dagloondagen van december 2016 in de dagloonberekening buiten beschouwing worden gelaten.
4.10.
Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

De verzoeken om vergoeding van schade

Wettelijke rente
5. Over het verzoek van appellant om vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente wordt overwogen dat dit nog niet kan worden toegewezen, omdat het Uwv een nieuw besluit moet nemen. Niet zeker is hoe het nieuw te nemen besluit zal luiden en daarom is nog niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, appellant schade heeft geleden. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van de wettelijke rente zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij de nadere besluitvorming mede beoordeelt of er aanleiding is voor vergoeding van de wettelijke rente.
Overschrijding redelijke termijn
6.1.
Wat betreft het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.
6.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
6.3.
Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 29 november 2019 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure zes jaar en nog geen zes maanden geduurd. In de zaak zelf en in de opstelling van appellant zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en nog geen zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-.
6.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot de eerste beslissing op bezwaar van 17 februari 2020 minder dan een half jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is daarmee geheel gelegen in de rechterlijke fase. Dat betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 2.500,-.

Proceskosten

7.1.
Ter zake van de kosten in bezwaar heeft het Uwv in bestreden besluit 2 al een vergoeding toegekend. Er bestaat aanleiding het Uwv in aanvulling hierop te veroordelen in de kosten in beroep en hoger beroep van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.864,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde van € 934,- per punt ) en € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de reactie op nieuwe beslissing op bezwaar en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 4.666,-.
7.2.
Er is tevens aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van een verzoek met een wegingsfactor van 0,5).
7.3.
Verder moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2020 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2024 gegrond, voor zover het de hoogte van het dagloon betreft;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.500,-;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.666,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de kosten van appellant tot een bedrag van € 467,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E. Dijt en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

2.In de stukken komt ook de naam [naam B.V.3] voor; deze B.V . is overgenomen door [naam B.V. 2] .
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4363.
4.CRvB 9 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2025:67.
5.Stb. 2013, 185, p. 39.
6.CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.