ECLI:NL:CRVB:2026:699

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/1021 WAD
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. Serno
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 AMARArt. 11 IBM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling hoogte waarnemingstoelage na invoering nieuwe salaristabel

Appellant, een beroepsmilitair bij de Koninklijke Luchtmacht, maakte bezwaar tegen de hoogte van de waarnemingstoelage die hem werd toegekend voor de periode van 14 november 2022 tot 15 februari 2023, waarin hij een hogere functie waarnam. De staatssecretaris had de toelage vastgesteld op basis van de nieuwe salaristabel die per 1 januari 2023 werd ingevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de staatssecretaris de hoogte van de waarnemingstoelage correct had vastgesteld. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelde dat de waarnemingstoelage hoger had moeten zijn, omdat hij meende dat de fictieve bevorderingsdatum op het moment van aanvang van de waarneming moest worden toegepast.

De Raad oordeelde dat de staatssecretaris terecht de waarnemingstoelage had berekend als het verschil tussen het salaris van zijn rang en het salaris van de waargenomen functie per 1 januari 2023, conform het Arbeidsvoorwaardenakkoord en de transitietabel. De Raad verwierp het betoog van appellant dat de waarnemingstoelage hoger had moeten zijn door een fictieve eerdere bevordering. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De hoogte van de waarnemingstoelage per 1 januari 2023 is correct vastgesteld en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1021 WAD
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2025, 24/8652 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 28 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of de staatssecretaris de hoogte van de waarnemingstoelage na invoering van een nieuwe salaristabel met ingang van 1 januari 2023 juist heeft vastgesteld. De Raad is van oordeel dat dat het geval is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bree hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Staal. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z.E.M. van der Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is als beroepsmilitair werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht op de afdeling [naam afdeling] . Met ingang van 1 juni 2019 is de functie van [naam functie] - junior medewerker bedrijfsvoering, met de rang van eerste luitenant, aan hem toegewezen
.Van 14 november 2022 tot 15 februari 2023 heeft appellant de functie van [naam functie] - bedrijfskundig adviseur waargenomen, een functie met de rang van kapitein.
1.2.
Met een besluit van 2 mei 2023 is de functie van [naam functie] - bedrijfskundig adviseur met ingang van 15 februari 2023 aan appellant toegewezen en is hij met ingang van die datum bevorderd tot kapitein.
1.3.
Met een besluit van 19 december 2023 heeft de staatssecretaris aan appellant over de waarnemingsperiode een waarnemingstoelage toegekend.
1.4.
Met een besluit van 17 september 2024 (bestreden besluit) is de staatssecretaris, beslissend op het bezwaar van appellant, – voor zover hier van belang – bij de hoogte van de waarnemingstoelage gebleven.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – geoordeeld dat de staatssecretaris de hoogte van de waarnemingstoelage correct heeft vastgesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank, voor zover het de waarnemingstoelage betreft, niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de waarnemingstoelage in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 22 van Pro het AMAR [1] kan een militair eenmaal tijdens een functievervulling voor een periode van maximaal 12 maanden worden belast met de volledige waarneming van een functie. Een militair kan alleen worden belast met de waarneming van een functie waaraan zijn eigen rangsniveau of het naasthogere rangsniveau is verbonden. De militair wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit hem te belasten met de waarneming van een functie indien de waarneming voorzienbaar langer dan 30 dagen zal duren. Hierbij wordt onder meer vermeld of een toelage wordt toegekend als bedoeld in artikel 11 van Pro het IBM [2] .
4.2.
Op grond van artikel 11 van Pro het IBM heeft de militair die is belast met de volledige waarneming van een functie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van het AMAR, indien aan die functie een hogere rang is verbonden, voor de duur van de waarneming aanspraak op een waarnemingstoelage. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging waarop de militair aanspraak heeft en de bezoldiging waarop hij aanspraak zou hebben, indien de waargenomen functie hem zou zijn toegewezen en hij dientengevolge zou zijn bevorderd tot de aan die functie verbonden rang.
4.3.
De Raad stelt vast dat appellant alleen opkomt tegen de hoogte van de waarnemingstoelage zoals die per 1 januari 2023, na invoering van de nieuwe salaristabel voor militairen, is vastgesteld.
4.4.
In het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 is afgesproken dat per 1 januari 2023 een nieuwe salaristabel wordt ingevoerd voor alle krijgsmachtonderdelen. De salaristabel is ingedeeld naar rangen met gelijke somscores en treden. Salarisnummers komen hierin niet meer voor. Alle militairen die op 1 januari 2023 in dienst zijn, gaan op die datum over naar de nieuwe salaristabel en ontvangen vanaf dat moment de hogere salarisbedragen die horen bij de nieuwe salaristabel. Inpassing in de nieuwe salaristabel gebeurt met een transitietabel, waarin is vastgelegd op welke wijze het huidige militaire personeel over gaat van de bestaande salaristabel naar de nieuwe salaristabel. De transitietabel geeft per rang en salarisnummer weer wat het nieuwe tredenummer wordt in de nieuwe salaristabel.
4.5.
Over het doorlopen van de nieuwe salaristabel is onder meer afgesproken dat bij bevordering de militair wordt ingeschaald op het naast hogere bedrag in de salarisschaal van de nieuwe rang. Door de opzet van de nieuwe salaristabel is de salarissprong hiermee minimaal gelijk aan 1 periodiek.
4.6.
Omdat de waarneming waarmee appellant met ingang van 14 november 2022 was belast, doorliep na 1 januari 2023 heeft de staatssecretaris bekeken wat de invoering van de nieuwe salaristabel betekent voor de hoogte van de waarnemingstoelage van appellant. Daarbij heeft de staatssecretaris allereerst gekeken op welke bezoldiging appellant met ingang van 1 januari 2023 aanspraak heeft als eerste luitenant met salarisnummer 20, door middel van toepassing van de transitietabel. Appellant zou dan als eerste luitenant ingeschaald moeten worden op trede 11 (€ 4.593,77). Vervolgens heeft de staatssecretaris bekeken in welke trede van de salaristabel appellant ingeschaald zou moeten worden indien aan appellant de waargenomen functie per 1 januari 2023 zou zijn toegewezen en hij dientengevolge zou zijn bevorderd tot de aan die functie verbonden rang. Omdat een militair bij bevordering moet worden ingeschaald op het naast hogere bedrag in de salarisschaal behorend bij die hogere rang, vindt dus een zogeheten paardensprong op de salaristabel plaats. Dit zou tot gevolg hebben dat appellant een kapiteinsrang met trede 6 (€ 4.687,05) zou gaan waarnemen. Appellant zou in dat geval recht hebben op toekenning van een waarnemingstoelage van € 93,28 met ingang van 1 januari 2023. Omdat appellant vóór 1 januari 2023 een waarnemingstoelage ontving van € 169,50, zou zijn waarnemingstoelage een verlaging ondergaan. Aangezien bij het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 was afgesproken dat invoering van de nieuwe salaristabel er niet toe mag leiden dat individuele militairen er financieel op achteruit gaan, heeft de staatssecretaris aan appellant met ingang van 1 januari 2023 een waarnemingstoelage toegekend naar het verschil aan bezoldiging van een eerste luitenant, trede 11 en de bezoldiging van een kapitein, trede 7 (€ 4.780,34), wat uitkomt op een waarnemingstoelage van € 186,57 per maand.
4.7.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris op deze wijze de hoogte van de waarnemingstoelage met ingang van 1 januari 2023 juist heeft vastgesteld. Appellant heeft betoogd dat de staatssecretaris bij de vaststelling van de hoogte van de waarnemingstoelage zo had moet handelen als ware hij met ingang van 14 november 2022 daadwerkelijk bevorderd naar een kapiteinsrang met salarisnummer 20, die met ingang van 1 januari 2023 met toepassing van de transitietabel moest worden ingeschaald naar een kapiteinsrang met trede 9 (€ 4.966,91). Dan zou zijn waarnemingstoelage vanaf januari 2023 € 373,14 per maand zijn. Dat betoog slaagt niet. Het bedrag van de waarnemingstoelage per maand compenseert, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 11 van Pro het IBM, enkel het verschil tussen de bezoldiging die behoort bij de rang van de aan de appellant toegewezen functie en de bezoldiging waarop hij aanspraak zou hebben als ware hij in de betreffende maand bevorderd tot de aan de waargenomen functie verbonden rang. De staatssecretaris is niet gehouden het aanvangsmoment van de waarneming te hanteren als een fictieve bevorderingsdatum en hij was dan ook niet verplicht om appellant bij toepassing van de transitietabel te behandelen alsof hij op 14 november 2022 al daadwerkelijk was bevorderd tot kapitein.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de hoogte van de waarnemingstoelage over de periode 1 januari 2023 tot 15 februari 2023 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Voetnoten

1.Algemeen militair ambtenarenreglement.
2.Inkomstenbesluit militairen.