ECLI:NL:CRVB:2026:722

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
25/1380 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. Serno
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering benoeming lid cliëntenraad

Appellant verzocht om benoeming tot lid van de Sociale Cliëntenraad Walcheren (SCW), maar het dagelijks bestuur weigerde dit op 14 december 2023. Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, maar dit bezwaar werd op 1 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit niet onder bezwaar en beroep valt volgens artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde het besluit tot niet-ontvankelijkheid, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat appellant geen ambtenaar is en dus niet onder de uitzondering van artikel 8:4 Awb Pro valt. De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding af.

Appellant ging in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bevestigde de weigering tot benoeming. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering tot benoeming is niet-ontvankelijk verklaard en de weigering blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1380 AW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juni 2025, 24/2660 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 28 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het bezwaar tegen de weigering om appellant te benoemen tot lid van de SCW terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. Appellant is geen ambtenaar en daarom kan hij geen bezwaar of beroep instellen tegen deze weigering. De Raad is het eens met de rechtbank.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft verzocht te worden benoemd tot lid van de SCW [1] . Op 14 december 2023 heeft het dagelijks bestuur dit geweigerd.
1.2.
Met een besluit van 1 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen de weigering hem te benoemen, niet-ontvankelijk verklaard. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb [2] .
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit van 1 februari 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Verder heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat de beslissing tot het wel of niet benoemen van een lid van de cliëntenraad een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb en dat dit betekent dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
2.2.
Tegen besluiten waarbij iemand door een bestuursorgaan wordt benoemd, of juist niet wordt benoemd, is geen bezwaar en beroep mogelijk. Dat is bepaald in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Omdat niet is gebleken dat appellant een ambtenaar is als bedoeld in dat artikel, valt hij niet onder de uitzondering van die bepaling. Het bezwaar van appellant tegen de weigering om hem te benoemen tot lid van de SCW is daarom niet-ontvankelijk.
2.3.
De rechtbank is niet gebleken dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit, doordat het bezwaar op een andere grondslag niet-ontvankelijk blijft.
De standpunten van partijen
3.1.
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.
3.2.
Het dagelijks bestuur heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, worden geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend oordeel zodat wordt volstaan te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant niet te benoemen tot lid van de SCW in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Voetnoten

1.Sociale Cliëntenraad Walcheren.
2.Algemene wet bestuursrecht.