Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:769

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/2376 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • O.H.L.W.I. Korte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten en ontbreken dringende redenen

Appellanten ontvingen vanaf 2018 bijstand op verschillende normpercentages, oplopend tot de volledige gehuwdennorm vanaf januari 2020. Naar aanleiding van anonieme meldingen startte de gemeente een onderzoek naar niet gemelde inkomsten via bankafschriften en gesprekken. Het college herzag daarop de bijstand en vorderde terugbetaling van €5.649,80 wegens niet gemelde bijschrijvingen in diverse maanden tussen 2018 en 2021.

De rechtbank vernietigde deels de besluiten, maar liet de herziening en terugvordering in stand. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de ontvangen bedragen leningen voor levensonderhoud waren en dat zij door foute besluitvorming onder het bijstandsniveau leefden, waardoor terugvordering onterecht zou zijn.

De Raad oordeelt dat appellanten vanaf januari 2020 de volledige gehuwdennorm ontvingen en dus niet waren aangewezen op leningen. Voor de jaren 2018 en 2019 is niet aangetoond dat de bedragen leningen waren met terugbetalingsverplichting. Ook ontbreken dringende redenen om terugvordering achterwege te laten. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de terugvordering blijft gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten en het ontbreken van dringende redenen.

Uitspraak

24/2376 PW, 24/2378 PW, 24/2379 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 september 2024, 23/2182, 23/2183 en 23/2184 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)
Datum uitspraak: 9 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat om een herziening en terugvordering van bijstand vanwege ontvangen bedragen. Volgens appellanten zouden deze bedragen niet op de bijstand in mindering moeten worden gebracht omdat het leningen voor levensonderhoud betroffen in een periode waarin zij onder het bijstandsniveau leefden. De Raad geeft appellanten geen gelijk. Een deel van de bedragen zijn ontvangen in een periode dat appellanten volledige bijstand ontvingen en van het andere deel is niet onderbouwd dat dit leningen voor levensonderhoud waren waaraan daadwerkelijk terugbetalingsverplichtingen waren verbonden. De Raad ziet verder geen aanleiding om de aanwezigheid van dringende redenen aan te nemen.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft een regiebrief gestuurd, waar appellanten op hebben gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving na een besluit van 19 juni 2018 vanaf 8 mei 2018 bijstand op grond van de Participatiewet, naar 50% van de norm voor gehuwden omdat appellante nog geen verblijfsrecht had en daarom als niet-rechthebbende partner werd aangemerkt. Appellanten hebben daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dit met een beslissing op bezwaar van 26 juli 2018 gewijzigd. Gelet op de aanwezigheid van drie kinderen in het gezin is de bijstand met ingang van 8 mei 2018 afgestemd naar 90% van de gehuwdennorm. De nabetaling heeft op 28 augustus 2028 plaatsgevonden.
1.2.
Bij besluit van 28 januari 2020 is met terugwerkende kracht vanaf 29 april 2019 de volledige gehuwdennorm toegekend omdat appellante vanaf die datum, na het verkrijgen van een geldige verblijfstitel, als rechthebbende partner kon worden aangemerkt. Het tegen dit besluit gericht bezwaarschrift heeft bij besluit van 25 mei 2020 geresulteerd in een wijziging van de ingangsdatum van de volledige gehuwdennorm naar 8 mei 2018. De nabetaling heeft op 16 juli 2020 plaatsgevonden.
1.3.
Naar aanleiding van een aantal anonieme meldingen waarin onder andere stond dat appellant financieel zou worden ondersteund door familie en vrienden is de sociale recherche van de gemeente [woonplaats] een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand.
1.4.
Voor dit onderzoek heeft een sociaal rechercheur onder andere bankafschriften van appellanten opgevraagd en op 4 maart 2022 met appellanten een gesprek gevoerd. Nadien hebben appellanten nog tweemaal op verzoek nadere informatie verschaft. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 29 april 2022.
1.5.
In deze bevindingen heeft het college aanleiding gezien om met een besluit van 7 april 2022 (besluit 1), voor zover hier van belang, het recht op bijstand van appellanten te herzien over de maanden juli 2018, november 2019, april, oktober en december 2020 en februari 2021. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben gemeld dat zij in die maanden inkomsten in de vorm van bijschrijvingen en stortingen hebben ontvangen.
1.6.
Aangezien besluit 1 alleen geadresseerd was aan appellant heeft het college met een besluit van 12 september 2022 (besluit 2) een gelijkluidend besluit genomen, gericht aan appellanten samen.
1.7.
Met een besluit van 14 september 2022 (besluit 3) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de maanden waarin herzien is van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 5.649,80.
1.8.
Met een besluit van 2 maart 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Met een besluit van eveneens 2 maart 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar tegen besluit 1 van rechtswege ook was gericht tegen besluit 2. Tot slot heeft het college met een derde besluit van 2 maart 2023 (bestreden besluit 3) het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. De rechtbank heeft het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit al was ingehaald door besluit 2. Het bezwaar tegen besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 3 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank bepalingen gegeven voor de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de rechtbank de besluitvorming in stand heeft gelaten. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de besluiten over de herziening en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat de ontvangen bedragen niet in mindering moeten worden gebracht op de bijstand, omdat zij in die periode niet de volledige bijstand ontvingen en zij daarom waren aangewezen op het aangaan van leningen. Appellanten hebben hierbij verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad over de situatie dat een betrokkene niet over een toereikend inkomen beschikt en daarom leningen voor levensonderhoud is aangegaan. [1] Deze grond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.1.1.
In het midden kan blijven of de door appellanten aangehaalde rechtspraak onverkort geldt voor een periode waarin een betrokkene gedeeltelijk bijstand krijgt en later vanwege een wijziging in de verblijfsstatus met terugwerkende kracht ook met terugwerkende kracht meer bijstand krijgt. Er is namelijk hoe dan ook niet voldaan aan de in die rechtspraak gestelde voorwaarden.
4.1.2.
Appellanten kregen vanaf het besluit van 28 januari 2020 de volledige gehuwdennorm. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat ten tijde van de ontvangen bedragen in 2020 en 2021 tot een bedrag van € 1.950 er geen sprake was van een situatie dat appellanten waren aangewezen op het aangaan van leningen om in hun levensonderhoud te voorzien.
4.1.3.
Met betrekking tot de in 2018 en 2019 ontvangen bedragen hebben appellanten aangevoerd dat dit leningen voor levensonderhoud waren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze leningen niet zijn onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Zo zijn er geen leenovereenkomsten ingeleverd en heeft appellant ter zitting bij de rechtbank verklaard dat degene van wie hij het geld kreeg niet had gezegd dat hij het moest terugbetalen en ook dat er geen afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling. Appellant zou verder maar één keer € 700,- hebben terugbetaald, terwijl appellanten inmiddels met terugwerkende kracht alsnog de volledige gehuwdennorm hebben ontvangen vanaf de begindatum van de bijstand. Zij moeten dus in staat geweest zijn om die gestelde schulden terug te betalen maar hebben dat niet gedaan. Daaruit volgt te minder dat een terugbetalingsverplichting bestond.
4.2.
In het kader van de terugvordering hebben appellanten aangevoerd dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Die dringende redenen zijn volgens appellanten gelegen in de situatie dat appellanten door foute besluitvorming onder bijstandsniveau hebben geleefd. Deze grond slaagt alleen al niet wegens het ontbreken van feitelijke grondslag. Niet is vastgesteld dat de besluiten over bijstandsverlening onjuist waren. De enkele omstandigheid dat de norm met terugwerkende kracht is verhoogd is daartoe niet voldoende. Verder hebben appellanten over de periode vanaf eerste bijstandsverlening uiteindelijk kunnen beschikken over de gehele gehuwdennorm plus de € 2.850,- die zij daarnaast in die periode van derden hebben ontvangen.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door O.H.L.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

(getekend) O.H.L.W.I. Korte

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188.