Uitspraak
26.258 WLZ-PV, 26/884 WLZ-VV-PV
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker, een Portugees die in december 1995 kort in Nederland verbleef, stelde dat hij sinds toen ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld door contact met gelegaliseerde cannabis en dat hij daarom verzekerd zou moeten zijn voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Hij verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om vaststelling van zijn verzekering vanaf 1 januari 1996. De Svb wees dit verzoek af omdat verzoeker nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. Verzoeker stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid in Nederland is ontstaan en dat hij op grond van Unierecht verzekerd zou moeten zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen nationale of Europese regelgeving is die verzoeker als verzekerd aanmerkt voor de Wlz. De Raad wees erop dat een civiele procedure geschikt is voor eventuele aansprakelijkheidsvorderingen.
De voorzieningenrechter besloot dat er geen aanleiding is voor een voorlopige voorziening en deed direct uitspraak in de hoofdzaak. Het verzoek tot verzekering voor de Wlz werd afgewezen, waarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om verzekering voor de Wet langdurige zorg vanaf 1996 wordt afgewezen omdat verzoeker niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt.