ECLI:NL:CRVB:2026:828

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
25/1227 ZW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 onder a Vo 883/2004Art. 21 lid 1 Vo 883/2004Art. 27 lid 3 Vo 987/2009WerkloosheidswetZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Nederlandse Ziektewetuitkering bij grensoverschrijdende situatie binnen EU

Appellante werkte vanaf september 2022 in Portugal en meldde zich daar ziek in april 2023. Het Portugese orgaan betaalde tot augustus 2023 ziekengeld. Na beëindiging van haar dienstverband en verhuizing naar Nederland in september 2023, vroeg zij een WW-uitkering aan, die werd afgewezen vanwege haar ziekmelding. Het Uwv weigerde vervolgens Ziektewetuitkeringen per april en september 2023 omdat appellante niet verzekerd was volgens de Nederlandse ZW.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de Portugese wetgeving van toepassing was bij het intreden van de ziekte, conform Verordening 883/2004. Appellante stelde dat het Uwv verplicht was contact te zoeken met het Portugese orgaan, wat het Uwv bevestigde door medisch onderzoek te verrichten en bewijs aan Portugal te sturen.

De Raad volgt de rechtbank en bevestigt dat het Portugese orgaan bevoegd is het recht op ziekengeld vast te stellen. Het Uwv kan slechts als betaalkantoor optreden indien het Portugese orgaan daartoe besluit. Het Uwv had de arbeidsongeschiktheid moeten onderzoeken en doorgeven aan Portugal, maar kan geen Nederlandse ZW-uitkering toekennen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de ZW-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag van een Nederlandse Ziektewetuitkering omdat de Portugese wetgeving van toepassing is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1227 ZW-PV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 mei 2025, 24/3035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: F.M. Gerritsen
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, advocaat. Het Uwv is met kennisgeving niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Appellante heeft vanaf 12 september 2022 in Portugal in loondienst gewerkt. Op 14 april 2023 heeft zij zich daar ziek gemeld. Het Portugese orgaan heeft tot en met augustus 2023 ziekengeld aan appellante betaald. Haar dienstverband is op 11 september 2023 beëindigd. Dezelfde dag is zij naar Nederland verhuisd.
1.2.
Appellante heeft vanaf 11 september 2023 een WW [1] -uitkering aangevraagd. Die aanvraag is door het Uwv afgewezen omdat appellante bij de aanvraag had vermeld dat zij ziek was. Hierna heeft appellante zich met terugwerkende kracht per 14 september 2023 ziek gemeld. Met besluiten van 10 oktober 2023 en van 6 mei 2024 heeft het Uwv per 14 september 2023 en per 14 april 2023 een ZW [2] -uitkering geweigerd, omdat appellante bij het intreden van haar arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was voor de ZW.
1.3.
Met een besluit van 20 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen beide besluiten ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante op haar eerste ziektedag 14 april 2023 niet verzekerd was voor de ZW en dat uit het bepaalde in Vo 883/2004 [3] niets anders voortvloeit. De rechtbank heeft verder opgemerkt dat het Uwv niet gehouden was ziekengeld naar Portugees recht aan appellante te verstrekken.
Standpunten van partijen
3.1.
Appellante is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zij heeft aangevoerd dat het Uwv, in het kader van het vrij verkeer van werknemers en het beginsel van unietrouw, verplicht is contact op te nemen met het bevoegde orgaan in Portugal. Door strikt vast te houden aan de letter van de verordening doet de rechtbank afbreuk aan de communicatie en loyale samenwerking in Europees verband.
3.2.
Het Uwv heeft aangevoerd dat appellante op de eerste ziektedag niet in Nederland woonde of werkte, zodat er geen recht kan bestaan op ziekengeld op grond van de ZW. Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van Vo. 883/2004 was de Portugese wetgeving op appellante van toepassing toen zij ziek werd. Daarom is Portugal de bevoegde lidstaat om een ziekte-uitkering te betalen. Op grond van artikel 21 van Pro Vo 883/2004 is de bevoegde lidstaat ook verplicht het ziekengeld te verstrekken wanneer de betrokkene in een andere lidstaat gaat wonen of verblijven, voor zover nog steeds aan de door de wetgeving van de bevoegde lidstaat gestelde voorwaarden wordt voldaan. Het Uwv kan op verzoek van het Portugese bevoegde orgaan medische controles verrichten of de betaling van de Portugese uitkering overnemen. Dit neemt echter niet weg dat het aan de Portugese uitkeringsinstantie is om, op basis van de Portugese regelgeving, te bepalen of er na de verhuizing nog steeds aanspraak bestaat op Portugees ziekengeld.
3.3.
Na door de Raad te zijn gewezen op artikel 27, derde lid, van Vo 987/2009 [4] heeft het Uwv appellante gedurende het hoger beroep nog wel medisch onderzocht. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat appellante gedurende de periode van 26 april 2023 tot en met 15 juli 2025 arbeidsongeschikt is geweest. Het Uwv heeft een S055-en E116-formulier via RINA aangeleverd aan het Portugese orgaan. Evenwel is het volgens het Uwv aan het Portugese orgaan om te bepalen of het begin augustus 2023 beëindigde Portugese ziekengeld kan worden voortgezet.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de afwijzing van de aanvragen van appellante om ziekengeld op grond van de ZW per 14 april 2024 en per 14 september 2024 gehandhaafd. Uitsluitend dit besluit ligt ter beoordeling voor.
4.2.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellante geen recht heeft op een ZWuitkering uit Nederland. Omdat sprake is van een grensoverschrijdende situatie binnen de Europese Unie, zijn de bepalingen van Vo 883/2004 [5] van toepassing. Appellante werkte direct voorafgaand aan haar eerste ziektedag in Portugal. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat bij het intreden van haar ziekte de Portugese wetgeving op appellante van toepassing was. Dit vloeit voort uit artikel 11, derde lid, onder a, van Vo 883/2004. Uit artikel 21, eerste lid, van Vo 883/2004 volgt dat het in Portugal bevoegde orgaan het recht van appellante op ziekengeld naar Portugees recht dient vast te stellen en dat het Uwv daartoe niet bevoegd is. Wel kan, in overleg tussen het Portugese orgaan en het Uwv, een eventuele Portugese ziekte-uitkering door het Uwv worden verstrekt volgens de Portugese wetgeving en voor rekening van het Portugese orgaan. Het Uwv zou dan functioneren als een soort betaalkantoor voor het Portugese orgaan. Die mogelijkheid maakt het Uwv echter niet tot bevoegd orgaan en kan alleen aan de orde komen als appellante tegenover het Portugese orgaan recht op uitkering heeft.
4.3.
Dit neemt niet weg dat het Uwv, na de aanvraag van appellante, haar arbeidsongeschiktheid had moeten onderzoeken en een bewijs daarvan naar het Portugese orgaan had moeten sturen. Dit vloeit voort uit artikel 27, derde lid, van Vo 987/2009. Het Portugese orgaan had dan kunnen beoordelen of appellante, hoewel zij zich vlak voor haar vertrek naar Nederland in Portugal niet meer had laten keuren, alsnog in aanmerking kwam voor voortzetting van haar ziekengeld uit Portugal. Deze laatste beoordeling raakt echter niet het recht op een ZW-uitkering uit Nederland en staat buiten de rechtsmacht van de Raad.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van een ZW-uitkering uit Nederland in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.M. Gerritsen (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde, werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Voetnoten

1.Werkloosheidswet.
2.Ziektewet.
3.Verordening (EG) nr. 883/2004.
4.Verordening (EG) nr. 987/2009.
5.Verordening (EG) nr. 883/2004.