ECLI:NL:CRVB:2026:966

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
25/1636 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • B. Serno
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gelijkstelling met vervolgde op grond van de Wuv wegens ontbreken direct verband gezondheidsklachten

Appellant heeft in oktober 2024 een aanvraag ingediend bij de Pensioen- en Uitkeringsraad om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1950-1945 (Wuv), waarbij hij verzocht werd om gelijkstelling met de vervolgde vanwege gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan het overlijden van zijn vader in een strafkamp tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant zelf geen vervolging heeft ondergaan en er geen medisch bewijs is dat zijn klachten direct verband houden met het overlijden van zijn vader. Medische adviezen van geneeskundig adviseurs, gebaseerd op gesprekken en informatie van huisarts en psycholoog, wijzen erop dat de klachten van appellant voortkomen uit de moeilijke omstandigheden waarin hij na de oorlog is opgegroeid, en dat de lichamelijke klachten leeftijdsgebonden zijn.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de indirecte gevolgen van het overlijden van zijn vader, zoals de moeilijke thuissituatie, niet voldoende zijn voor gelijkstelling. Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om gelijkstelling met de vervolgde wordt afgewezen wegens ontbreken van een direct verband tussen de klachten van appellant en het overlijden van zijn vader.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1636 WUV
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 23 juli 2026

SAMENVATTING

Verweerder heeft afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om hem onder toepassing van de antihardheidsbepaling van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. De Raad onderschrijft het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat bij appellant sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het door de vervolging omkomen van zijn vader.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Helmantel, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juli 2025, kenmerk BZ011711660 (bestreden besluit). Dit betreft de Wuv [1] .
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 juni 2026. Appellant en mr. Helmantel hebben aan de zitting deelgenomen via beeldbellen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1944 , heeft in oktober 2024 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv. Appellant heeft aangegeven dat hij gezondheidsklachten heeft als gevolg van het omkomen van zijn vader op [datum] 1944 in het [naam kamp] , een strafkamp nabij [plaats] .
1.2.
Verweerder heeft vastgesteld dat appellant zelf geen vervolging heeft ondergaan. Omdat is gebleken dat de vader van appellant door vervolging is overleden, is onderzocht of appellant met de vervolgde gelijk kan worden gesteld.
1.3.
Met een besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat de oorlogsomstandigheden, met name het omkomen van de vader van appellant, geen aanleiding geven om appellant met de vervolgde gelijk te stellen. Er is bij appellant geen sprake van ziekten of gebreken, die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het oordeel van de Raad

2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
2.1.
Niet wordt betwist dat appellant zelf geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.
2.2.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan verweerder met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden heeft verkeerd die overeenkomst vertonen met vervolging, als het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Tot dergelijke omstandigheden rekent verweerder onder meer het door de vervolging omkomen van een ouder.
2.3.
In het geval van appellant heeft verweerder geen gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de bij appellant aanwezige psychische en lichamelijke klachten redelijkerwijs geen verband houden met het overlijden van zijn vader, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Het standpunt van verweerder is gebaseerd op medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen zijn gebaseerd op een persoonlijk onderhoud dat een van de geneeskundig adviseurs, de arts R.J. Roelofs , met appellant heeft gehad en informatie van de huisarts H.G.J. Fey en de behandelend GZ-psycholoog dr. S. de Jong .
2.4.
De Raad kan het standpunt van verweerder niet voor onjuist houden. Uit de medische adviezen komt naar voren dat de oorzaak van de psychische klachten van appellant is gelegen in de moeilijke omstandigheden waaronder appellant na de oorlog is opgegroeid. Zo was zijn moeder psychisch “geknakt” en lichamelijk zwak, waardoor zij de opvoeding van haar kinderen niet aankon. Moeder hertrouwde met een man die kennelijk alcoholist was en die niet naar het gezin om keek. Appellant groeide op in chaos, armoede en zonder veel structuur. Het is echter vaste rechtspraak [2] dat bij een gelijkstelling met de vervolgde het moet gaan om directe gevolgen die het overlijden van vader van appellant op hem heeft gehad. Hoewel de Raad oog heeft voor de moeilijke omstandigheden waaronder appellant is opgegroeid, zijn de hiervoor geschetste omstandigheden echter een indirect gevolg van het overlijden van zijn vader. Om die reden zijn deze omstandigheden door verweerder terecht bij de beoordeling van de aanvraag om gelijkstelling buiten beschouwing gelaten
.Door appellant zijn verder geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld.
2.5.
Volgens de medische adviezen zijn de lichamelijke klachten leeftijdsgebonden, degeneratief dan wel constitutioneel bepaald. De betwisting daarvan door appellant is niet met medische gegevens onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

2.6.
Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
3. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond
.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) M.J.D. van Haren

Voetnoten

1.Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1950-1945.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 22 april 2021,