ECLI:NL:GHAMS:1998:AA4229
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Van Ballegooijen
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling uitgesteld salaris en toepassing begrip 'meer dan bijkomstig' in loonbelasting
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van A B.V., betwistte de door de inspecteur opgelegde aanslag inkomstenbelasting over 1994 waarbij een deel van zijn salaris, uitgesteld tot 2020, werd meegerekend als belastbaar inkomen. De inspecteur handhaafde de aanslag op ƒ 236.911,--, terwijl belanghebbende aangifte had gedaan van ƒ 209.071,--.
De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip 'meer dan bijkomstig' in artikel 27, tiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met betrekking tot het moment waarop loon wordt genoten. De inspecteur stelde dat ook een uitgesteld salaris van minder dan 10% in bepaalde omstandigheden als meer dan bijkomstig kan gelden, mede op basis van een intern besluit dat niet was gepubliceerd. Belanghebbende voerde aan dat alleen de relatieve verhouding tot het totale jaarsalaris bepalend is en dat een bedrag onder 10% niet als meer dan bijkomstig kan worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat de term 'bijkomstig' uitsluitend in relatieve zin moet worden uitgelegd en dat geen ruimte bestaat voor een absoluut criterium. Het uitgestelde salaris van ƒ 27.840,--, zijnde minder dan 10% van het totale jaarsalaris van ƒ 300.000,--, kon daarom niet als meer dan bijkomstig worden beschouwd en behoorde niet tot het belastbare inkomen over 1994. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van ƒ 3.195,-- en het betaalde griffierecht.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het begrip 'meer dan bijkomstig' in de loonbelasting en bevestigt dat het criterium uitsluitend relatief is, zonder absolute drempelwaarden.
Uitkomst: Het uitgestelde salaris van minder dan 10% van het jaarsalaris wordt niet als meer dan bijkomstig beschouwd en behoort niet tot het belastbare inkomen over 1994.