ECLI:NL:GHAMS:1998:AA4240
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag inkomstenbelasting na correctie lijfrentepremieaftrek
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 1994, waarin de inspecteur de aftrek van lijfrentepremies corrigeerde en het belastbaar inkomen verhoogde van ƒ 117.037 naar ƒ 122.533. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende terecht aanspraak maakte op de overdracht van aftrekmogelijkheden van zijn echtgenote op grond van artikel 45a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad had in een arrest van 15 april 1998 geoordeeld dat bij de beoordeling van niet gebruikte aftrekruimte alleen de basisaftrek volgens het eerste lid van artikel 45a moet worden betrokken, en niet vermeerderingen uit latere leden. Het hof paste deze lijn toe en oordeelde dat de echtgenote van belanghebbende, die een lijfrentepremie van ƒ 64.000 had afgetrokken op grond van het vijfde lid van artikel 45a, niet alleen de vermeerdering benut maar ook de basisaftrek, zodat geen overdracht van aftrekruimte aan belanghebbende mogelijk was.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de inspecteur. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend. De uitspraak werd op 10 juni 1998 in het openbaar uitgesproken door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer.
Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag en wijst het beroep af wegens onterechte aftrek van lijfrentepremies.