ECLI:NL:GHAMS:1998:AA4241
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Holdert
- Groeneveld
- Onnes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale eenheid en bedrijfsrisico’s bij aandelen C B.V. na verkoop D B.V.
Belanghebbende, aandeelhouder van C B.V., betwistte de aanslag vermogensbelasting over 1996, berekend naar een vastgesteld vermogen van f 2.227.000 na vermindering. De discussie spitste zich toe op de vraag of C B.V. na verkoop van de aandelen in D B.V. nog als een lichaam met bedrijfsactiviteiten kan worden beschouwd of slechts als een beleggingslichaam.
C B.V. had aanzienlijke financiële concessies gedaan bij de verkoop van D B.V., waaronder de overdracht van een vordering van f 982.240 voor een symbolische koopsom. Daarnaast bleef C B.V. borg staan voor een bankkrediet van D B.V. Het hof oordeelde dat deze borgstelling primair diende om de beleggingsopbrengst veilig te stellen en dat er onvoldoende bewijs was dat C B.V. feitelijk betrokken was bij de bedrijfsvoering van D B.V. of wezenlijke bedrijfsrisico’s liep.
Het hof concludeerde dat C B.V. feitelijk alleen vermogen belegde en daarmee onder de relevante wetsbepalingen valt die een lichamenstatus voor beleggen definiëren. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vermogensbelasting bevestigd.