ECLI:NL:GHAMS:1998:AA4241

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
P97/21411
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Holdert
  • Groeneveld
  • Onnes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 3 Wet op de vermogensbelasting 1964Art. 8 lid 6 onderdeel b Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling fiscale eenheid en bedrijfsrisico’s bij aandelen C B.V. na verkoop D B.V.

Belanghebbende, aandeelhouder van C B.V., betwistte de aanslag vermogensbelasting over 1996, berekend naar een vastgesteld vermogen van f 2.227.000 na vermindering. De discussie spitste zich toe op de vraag of C B.V. na verkoop van de aandelen in D B.V. nog als een lichaam met bedrijfsactiviteiten kan worden beschouwd of slechts als een beleggingslichaam.

C B.V. had aanzienlijke financiële concessies gedaan bij de verkoop van D B.V., waaronder de overdracht van een vordering van f 982.240 voor een symbolische koopsom. Daarnaast bleef C B.V. borg staan voor een bankkrediet van D B.V. Het hof oordeelde dat deze borgstelling primair diende om de beleggingsopbrengst veilig te stellen en dat er onvoldoende bewijs was dat C B.V. feitelijk betrokken was bij de bedrijfsvoering van D B.V. of wezenlijke bedrijfsrisico’s liep.

Het hof concludeerde dat C B.V. feitelijk alleen vermogen belegde en daarmee onder de relevante wetsbepalingen valt die een lichamenstatus voor beleggen definiëren. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vermogensbelasting bevestigd.

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam
Kenmerk: P97/21411
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vierde Meervoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.
1. Loop van het geding
Van belanghebbende is op 30 oktober 1997 ter griffie van het Gerechtshof een beroepschrift ontvangen, ingediend door A te Z als zijn gemachtigde. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 31 oktober 1997 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1996.
De aanslag is berekend naar een vastgesteld vermogen van f 2.309.000 en is bij de bestreden uitspraak verminderd tot een aanslag berekend naar een vastgesteld vermogen van f 2.227.000.
Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een vastgesteld vermogen van f 664.000.
De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert uiteindelijk tot bevestiging van de uitspraak.
Ter zitting van 17 april 1998 zijn verschenen vorengenoemde gemachtigde van belanghebbende, alsmede B namens de inspecteur.
Beide partijen hebben elkaar en het Hof, voorafgaande aan de zitting, een tot de gedingstukken te rekenen pleitnota toegezonden, waarvan zij vóór de zitting kennis hebben kunnen nemen.
Ter zitting is gelijktijdig behandeld het beroep van belanghebbende met betrekking tot de inkomstenbelasting voor het jaar 1995, dat bij het Hof is geadministreerd onder kenmerknummer 97/20160. De in dat geding overgelegde stukken worden eveneens tot de gedingstukken gerekend.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende is aandeelhouder van de besloten vennootschap C B.V.
2.2. Tot in 1995 bestond tussen C B.V. en de besloten vennootschap D B.V. een fiscale eenheid, welke in dat jaar werd verbroken als gevolg van de verkoop door C B.V. van de aandelen in D B.V. aan een zoon van belanghebbende voor een koopsom van f 1.
Na de verkoop van de aandelen D B.V. bestonden de activa van C B.V. uit onroerend goed, rentedragende leningen, een rekening-courantvordering op een bank en effecten. Naast het exploiteren van voormelde activa verricht C B.V. geen activiteiten meer, behoudens hetgeen onder 2.4 wordt vermeld.
2.3. Bij de onder 2.2 bedoelde verkoop van aandelen zijn door C B.V. aanzienlijke financiële concessies gedaan - onder meer de verkoop aan de onder 2.2 bedoelde zoon van een vordering van C B.V. op D B.V., groot f 982.240, voor een koopsom van f 1 - in verband met de op het moment van overdracht slechte financiële positie van D B.V., in welke werkmaatschappij een schildersbedrijf werd ge-ëxploiteerd. C B.V. heeft deze concessies gedaan mede omdat D B.V. huurster was van het aan C B.V. in eigendom toebehorende pand, dat speciaal is gebouwd en ingericht voor een schildersbedrijf.
2.4. Tot het ondernemingsvermogen van D B.V. behoorde een bankkrediet waarvoor C B.V. borg stond en na de aandelenverkoop voor borg is blijven staan, omdat de bank anders het krediet aan D B.V. niet wilde verlengen.
3. Geschil
In geschil is of het bepaalde in artikel 7, derde lid, aanhef en onderdeel c van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: de Wet) van toepassing is op de door belanghebbende gehouden aandelen in C B.V., zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist.
4. Standpunten van partijen
4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.
4.2. Namens belanghebbende is kort en zakelijk samengevat gesteld dat C B.V. als gevolg van de borgstelling en de zwakke financiële positie van D B.V. nog aanzienlijke bedrijfsrisico's loopt, zodat C B.V. geen lichaam is in de zin van artikel 8, zesde lid, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of C B.V. behoort tot de lichamen "welker feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid".
5.2. Naar het oordeel van het Hof moet C B.V. na de verbreking van de fiscale eenheid met D B.V. worden aangemerkt als een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat uit beleggen van vermogen. Het Hof gaat er daarbij van uit dat de borgstelling in de eerste plaats ertoe diende de beleggingsopbrengst van het onroerende goed voor C B.V. veilig te stellen.
De gemachtigde van belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat C B.V. feitelijk bemoeienis heeft met de gang van zaken in D B.V.. Evenmin is aannemelijk geworden dat er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat geoordeeld kan worden dat C B.V. bedrijfsrisico's loopt als gevolg van de borgstelling en de zwakke financiële positie van D B.V.. Die zwakke financiële positie vloeit ná de door C B.V. bij de verkoop van de aandelen D B.V. gedane concessies voornamelijk voort uit de door de zoon overgenomen vordering van C B.V. op D B.V. ten bedrage van f 982.240, welke vordering echter - naar moet worden aangenomen - zo niet de jure dan toch de facto een achtergestelde vordering is. Indien deze vordering buiten aanmerking wordt gelaten was, blijkens het onder 3, a opgenomen beding in de akte van verkoop en levering van de aandelen D B.V., het eigen vermogen van D B.V. per 1 januari 1995 zelfs positief.
5.3. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de inspecteur moet worden bevestigd.
6. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
7. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de inspecteur.
De uitspraak is vastgesteld op 12 juni 1998 door mrs. Holdert, Groeneveld en Onnes, in tegenwoordigheid van mr. van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.
De voorzitter van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
[Zie ook arrest HR nummer 34570 (red.)]