ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7718
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding zakelijke autokosten en toepassing autokostenforfait
Belanghebbende ontving van zijn werkgever een vergoeding van ƒ 18.317 voor zakelijke kilometers met zijn eigen tweedehands auto in 1996. Hij stelde dat zijn totale autokosten ƒ 27.174 bedroegen, gebaseerd op een afschrijving van de catalogusprijs. De inspecteur rekende met een lagere afschrijving gebaseerd op de aanschafprijs en een restwaarde, en stelde het autokostenforfait van artikel 42 lid 3 Wet Pro IB 1964 van toepassing.
Het hof stelde vast dat belanghebbende onjuist uitging van de catalogusprijs voor afschrijving en dat de restwaarde niet voldoende was onderbouwd. Het hof stelde de restwaarde vast op ƒ 7.500 en berekende de afschrijving dienovereenkomstig. De totale kosten van de auto werden door het hof vastgesteld op ƒ 14.516, aanzienlijk lager dan de vergoeding van de werkgever.
Gelet op het verschil tussen de vergoeding en de werkelijke kosten, oordeelde het hof dat sprake was van een situatie die gelijkgesteld moest worden aan het ter beschikking stellen van een personenauto. Daarom was het toepassen van het autokostenforfait door de inspecteur terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden aanslag bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag en verklaart het beroep ongegrond wegens toepassing van het autokostenforfait.