ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7826

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/04424
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Kwantes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:4 AwbArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schijn van vooringenomenheid door ambtenaar leidt tot vernietiging belastingwaarde woning

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van zijn woning voor de onroerendezaakbelasting. De waarde was door de gemeente vastgesteld op ƒ 400.000 voor de periode 1997-2000. De bezwaarprocedure werd behandeld door een ambtenaar, A, die tevens mede-eigenaar was van het parkeerterrein achter de woning, waarover een juridisch geschil liep met belanghebbende.

Het hof oordeelde dat deze situatie de schijn van vooringenomenheid wekte, omdat A een persoonlijk belang had bij het besluit. Dit was in strijd met het vereiste van onpartijdigheid en het motiveringsbeginsel uit de Algemene wet bestuursrecht. De gemeente had onvoldoende maatregelen genomen om te waarborgen dat A de besluitvorming niet beïnvloedde.

Daarom vernietigde het hof de bestreden uitspraak en gelastte een nieuwe beslissing door de gemeente, met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak wegens schijn van vooringenomenheid en gelast een nieuwe beslissing door de gemeente.

Uitspraak

98/04424
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak van de Directeur Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht, verweerder, verzenddatum 14 september 1998, betreffende de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.
Het beroep is behandeld ter zitting van 23 november 1999.
Beslissing
Het Hof:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de bestreden uitspraak,
verstaat dat verweerder opnieuw uitspraak zal doen,
veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van ƒ 710 en wijst de gemeente Utrecht aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en
gelast verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 80 aan belanghebbende te vergoeden.
Gronden
1. Bij beschikking van 28 februari 1997 is de waarde van de opgemelde onroerende zaak (hierna: de woning) op grond van de Wet waardering onroerende zaken naar de waardepeildatum 1 januari 1995 vastgesteld op een bedrag van ƒ 400.000. De woning betreft een tussenwoning. De kadastrale oppervlakte van het perceel beloopt circa 197 m2. Naast/onder de woning is een tot de woning behorend pad gelegen waarop een erfdienstbaarheid rust, te weten recht van weg. Achter de woning is een binnenterrein gelegen, welk terrein in gebruik is als parkeerterrein voor circa 55 auto’s.
Na bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de vastgestelde waarde gehandhaafd.
2. In de bestreden uitspraak staat vermeld dat belanghebbendes bezwaar is behandeld door A. Omtrent haar persoon staat vast dat zij gedaagde is geweest in een door belanghebbende in 1994 aangespannen kort geding tegen de eigenaren van het achter de woning gelegen parkeerterrein. A is mede-eigenaar van het parkeerterrein. Inzet van dit kort geding was de aanleg van het parkeerterrein, de daaruit ontstane overlast en deswege verzwaring van voormelde erfdienstbaarheid door het verkeer van en naar het parkeerterrein. Naar zeggen van belanghebbende is het kort geding destijds ingetrokken, doch is het dispuut wegens ziekte van belanghebbende thans nog niet opgelost.
3. Bij de heffing van belastingen geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan, betrokken bij de heffing, zijn taak verricht zonder enige vorm van vooringenomenheid, zoals ook is bepaald in artikel 2:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij staat voorop dat ook iedere schijn van vooringenomenheid moet worden vermeden. Gelet op het onder 2 vastgestelde kan niet anders worden geconcludeerd dan dat, mede gelet ook op belanghebbendes grieven in de onderhavige procedure aangaande de erfdienstbaarheid, de betrokken ambtenaar A als belanghebbende in de onderhavige procedure moet worden aangemerkt. Nu niet is komen vast te staan dat het bestuursorgaan, in casu de gemeente Utrecht, er tegen gewaakt heeft dat de persoon die een persoonlijk belang bij het besluit had, zoals in casu A, de besluitvorming beïnvloedde, is op zijn minst de schijn van vooringenomenheid gewekt. Het door verweerder gestelde dat A geen invloed heeft gehad op (het technische deel van) de taxatie, doet hier op geen enkele wijze aan af.
4. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot het oordeel dat de bestreden uitspraak op zodanig onzorgvuldige wijze en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen, dat zij niet in stand kan blijven. Mitsdien zal het Hof de bestreden uitspraak vernietigen en verstaat dat verweerder, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van artikel 2:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, opnieuw uitspraak doet.
5. Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
Op grond van het Besluit proceskosten fiscale procedures stelt het Hof de vergoeding van kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand vast op 1 (punt; verschijnen zitting) x ƒ 710 (waarde) x 1 (gewicht) = ƒ 710.
De uitspraak is gedaan op 7 december 1999 door mr. Kwantes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Berns als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ƒ 150.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondeling uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.