ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7940
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Smit
- Faase
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling opgeofferd bedrag voor buitenlandse deelneming in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, verkocht in 1991 haar aandelen in de buitenlandse deelneming Canada Inc. voorafgegaan door omzetting van vorderingen in aandelenkapitaal. Na het uitblijven van aflossingen werd in 1994 het pandrecht op de aandelen uitgeoefend en werd belanghebbende opnieuw aandeelhouder.
Belanghebbende verzocht om vaststelling van het voor de deelneming opgeofferde bedrag in 1994, dat de inspecteur vaststelde op ƒ 1. Belanghebbende betwistte dit en vorderde een hogere vaststelling. Het hof oordeelt dat het verzoek ontvankelijk was ondanks dat het niet gelijktijdig met de aangifte werd ingediend.
Het hof stelt dat de wettelijke regeling van artikel 13d, negende lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969, een stelsel biedt waarbij het opgeofferde bedrag mede aan de hand van beschikkingen kan worden vastgesteld. Het hof wijkt niet af van de letterlijke tekst en oordeelt dat bedragen die in voorgaande jaren zijn opgeofferd niet in de beschikking voor 1994 kunnen worden betrokken.
De winstbijtelling in 1991 op grond van artikel 13b wordt niet geacht in 1994 te zijn opgeofferd en kan niet in de beschikking worden betrokken. Omdat geen verdere bedragen zijn gesteld of gebleken, is het door de inspecteur vastgestelde bedrag niet te laag. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de beschikking van de inspecteur wordt bevestigd.