ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7945
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Ballegooijen
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing studiekostenvergoeding en buitengewone lasten bij studie in het buitenland
Belanghebbende studeerde van 1991 tot 1994 in het buitenland en ontving in 1994 een vergoeding van zijn werkgever ter compensatie van studiekosten. Hij voerde aan dat deze vergoeding niet tot het belastbare inkomen behoorde op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel l, Wet LB 1964, en dat de vergoeding deels belast moest worden tegen het bijzondere tarief van 45%. Het hof oordeelt dat de vergoeding belastbaar is naar het progressieve tarief en niet onder de vrijstelling valt, omdat de vergoeding pas achteraf werd toegekend en destijds de kosten als buitengewone lasten konden worden opgevoerd.
Daarnaast was in geschil welke studiekosten als buitengewone lasten in aanmerking konden worden genomen. Het hof stelt dat alleen kosten die rechtstreeks verband houden met de studie, zoals reiskosten aan het begin en einde van een aaneengesloten studieperiode, als buitengewone lasten gelden. Kosten van huisvesting, verzekeringen, telefoon en levensonderhoud vallen hier niet onder. Ook concludeert het hof dat de reiskosten tussen woonplaats en studieadres slechts beperkt aftrekbaar zijn.
Het hof bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 1994 van belanghebbende, wijst de bezwaren af en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door het lid van de belastingkamer Van Ballegooijen op 19 oktober 1999.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 1994 wordt bevestigd.