ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8030
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Kwantes
- H. Onnes
- J. van Loon
- Rechtspraak.nl
Kosten kinderopvang als buitengewone lasten bij gehuwden volgens Wet IB
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 1996 waarbij de kosten van kinderopvang niet op haar inkomen in mindering werden gebracht, maar werden toegerekend aan haar echtgenoot met het hoogste persoonlijke inkomen. Het hof behandelde het beroep samen met dat van haar echtgenoot.
De kern van het geschil betrof de vraag of de kosten van kinderopvang als buitengewone lasten op het inkomen van belanghebbende in mindering konden worden gebracht. Volgens artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vormen deze kosten buitengewone lasten indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Artikel 5 lid 1 van Pro deze wet bepaalt dat bij gehuwde belastingplichtigen deze lasten worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste inkomen.
Het hof oordeelde dat deze wettelijke regeling geen ongeoorloofde discriminatie inhoudt ten opzichte van ongehuwd samenwonenden, aangezien beide categorieën niet in alle opzichten gelijk zijn. Ook de regeling voor ongehuwd samenwonenden in artikel 46a biedt geen grond om de regeling voor gehuwden buiten toepassing te laten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De uitspraak werd op 31 augustus 1999 in het openbaar uitgesproken door het hof, waarbij de griffier aanwezig was.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1996 wordt ongegrond verklaard en de kosten van kinderopvang worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste inkomen.