ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9559

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
394/99
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Torrenga
  • Visser
  • Splinter-Van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot omzetting faillissement in schuldsanering wegens ontbreken goede trouw

Appellant heeft bij het gerechtshof Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die zijn verzoek tot omzetting van faillissement in een schuldsanering heeft afgewezen. De kern van het geschil betreft de vraag of appellant te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het niet betalen van bepaalde schulden.

De rechtbank had vastgesteld dat appellant niet te goeder trouw was met betrekking tot zijn schuld aan de Sociale Dienst wegens het ten onrechte ontvangen van een bijstandsuitkering en zijn schuld aan Automobiel Industrie Amsterdam BV door een ongeverzekerde aanrijding. In hoger beroep kwam tevens naar voren dat appellant meerdere verkeersovertredingen had waarvoor hij een schuld had aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau.

Het hof bevestigt dat het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden, mede gelet op hun aandeel in de totale schuldenlast, een grond is om het verzoek tot omzetting af te wijzen. Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot omzetting van faillissement in schuldsanering wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam
Tweede meervoudige burgerlijke kamer
Arrest van 1 juni 1999
in de zaak onder rekestnummer 394/99 van:
X.,
wonende te P.
APPELLANT,
procureur: mr. H.P. Vos.
1. Het geding in hoger beroep
1.1 Appellant is bij op 11 mei 1999 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 3 mei 1999 onder faillissementsnummer 98.0389, waarbij het verzoek van appellant tot omzetting van zijn faillissement in een schuldsanering is afgewezen.
1.2 Het verzoek is in hoger beroep behandeld op 1 juni 1999. Verschenen is namens appellant mr Vos, advocaat te Amsterdam en namens de curator mr S.C. Swinkels, advocaat te Amsterdam.
2. De gronden van de beslissing
2.1. Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken en hetgeen tijdens het onderzoek naar voren is gekomen, wordt het volgende overwogen.
2.2. Het namens appellant ingediende verzoek tot - kort gezegd - omzetting van zijn faillissement in een schuldsanering kan onder meer worden afgewezen wanneer aannemelijk is dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.
2.3. De schulden ten aanzien waarvan de rechtbank het ontbreken van de goede trouw heeft aangenomen betreffen zijn schuld aan de Sociale Dienst ontstaan wegens het (gedeeltelijk) ten onrechte ontvangen van een bijstandsuitkering alsmede zijn schuld aan Automobiel Industrie Amsterdam BV ontstaan door een door hem veroorzaakte aanrijding zonder verzekerd te zijn. Met betrekking tot de schuld aan de Sociale Dienst heeft appellant verklaard dat de ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering eerst recentelijk is stopgezet door de curator bij aanvang van zijn faillissement.
In hoger beroep is daarnaast nog gebleken dat appellant een schuld heeft aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau terzake acht onderscheiden verkeersovertredingen.
2.4. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat appellant ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden niet te goeder trouw is geweest zodat, ook gelet op het aandeel van de drie hiervoor genoemde schulden in de totale schuldenlast van appellant, reeds daarom het inleidend verzoek dient te worden afgewezen.
2.5. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing waarvan beroep moet worden bekrachtigd.
3. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.
Dit arrest in gewezen door mrs Torrenga, Visser en Splinter-Van Kan en is op 1 juni 1999 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr Donner als griffier.