ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9561

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
490/99
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Bockwinkel
  • Splinter-Van Kan
  • Salomans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 2 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek schuldsaneringsregeling ondanks onderhoudsachterstand en negatieve aflossingscapaciteit

Appellant heeft bij de rechtbank te Haarlem een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dat op 1 juni 1999 werd afgewezen. De rechtbank baseerde haar afwijzing op het feit dat een deel van de schulden bestond uit een achterstand in de onderhoudsverplichting jegens kinderen uit eerdere huwelijken, waarvan werd aangenomen dat deze niet te goeder trouw was ontstaan. Tevens was er vrees dat appellant zijn verplichtingen onder de regeling niet zou nakomen vanwege een lager inkomen dan de noodzakelijke uitgaven.

In hoger beroep heeft appellant toegelicht dat hij een verzoek tot nihilstelling en kwijtschelding van de onderhoudsverplichting heeft ingediend, waarvan de behandeling nog moet plaatsvinden. Tevens verwacht hij een salarisverhoging bij een nieuwe werkgever en een verlaging van woonlasten door een goedkopere woning van de gemeente.

Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is dat sprake is van een belemmering zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b en Pro lid 2 sub b van de Faillissementswet. De achterstand in onderhoudsbijdragen is niet onrechtmatig ontstaan en de negatieve aflossingscapaciteit is onvoldoende grond voor vrees dat appellant zijn verplichtingen niet zal nakomen.

Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het alsnog het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog toe en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam
Tweede meervoudige kamer
Arrest
X.
wonende te P.,
APPELLANT,
procureur mr W.J.J. Lamers
1. Het geding in hoger beroep
1.1 Appellant is bij op 9 juni 1999 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van een beslissing van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 1 juni 1999 onder rekestnummer 99.259/R 56218 waarbij het verzoek van appellant tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van het hof op 29 juni 1999. Verschenen is appellant bijgestaan door mr J.S. Dallinga, advocaat te Heemskerk
2. De gronden van de beslissing
2.1. Op grond van de inhoud van de schriftelijke stukken en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, wordt het volgende overwogen.
2.2. Gelet op de financiële situatie van appellant, als blijkend uit de door appellant overgelegde bescheiden, is redelijkerwijze te voorzien dat appellant niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, zodat grond aanwezig is voor toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.3. Het verzoek van appellant is in eerste aanleg afgewezen op de grond dat een deel van de schulden bestaat uit een achterstand in de nakoming van de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen uit eerdere huwelijken. Deze schuld zou niet te goeder trouw zijn ontstaan. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat gelet op het feit dat het inkomen van appellant en zijn partner lager is dan hetgeen zij behoeven, er vrees is dat appellant de verplichtingen die uit een schuldsaneringsregeling voortvloeien niet naar behoren zal nakomen.
2.4. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat appellant ten aanzien van de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen een verzoek (verzoeken) tot nihilstelling en kwijtschelding bij' de rechter heeft ingediend. Behandeling daarvan heeft nog niet plaatsgevonden. Appellant heeft daarnaast toegelicht dat hij over enige dagen bij een nieuwe werkgever een hoger salaris zal gaan verdienen en dat zijn lasten inmiddels ook wat zijn verminderd. Hij verwacht voorts dat hem door de gemeente een goedkopere woning zal worden aangeboden, waardoor ook zijn woonlasten zullen dalen.
2.5. Anders dan de rechtbank heeft overwogen. is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen appellant ter zitting nader heeft toegelicht omtrent zijn omstandigheden, niet aannemelijk is dat sprake is van een belemmering zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b en Pro lid 2 sub b Fw om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat appellant bij het ontstaan van de achterstand in de onderhoudsbijdragen niet te goeder trouw is geweest. Daarnaast geldt dat de enkele omstandigheid dat de uitgaven die appellant en zijn partner hebben te doen hun inkomsten overstijgen, onvoldoende grond oplevert voor de vrees dat appellant tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Ook overigens is daarvan niet gebleken.
2.6. Het voorgaande leidt tot vernietiging van de beslissing waarvan beroep en -alsnog~ toewijzing van het verzoek.
3. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beslissing waarvan beroep;
verklaart alsnog van toepassing de wettelijke schuldsaneringsregeling voor X. voornoemd;
verwijst de zaak naar de arrondissementsrechtbank te Haarlem om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.
Gewezen door mrs Bockwinkel, Splinter-Van Kan en Salomans en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 29 juni 1999 in tegenwoordigheid van mr Donner als griffier.