ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7502
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Bijl
- Rechtspraak.nl
Geen vrijstelling omzetbelasting voor psychotherapeutische diensten op basis van ergotherapie
Belanghebbende, bevoegd als ergotherapeute en werkzaam in de psychotherapie, stelde dat haar diensten vrijgesteld moesten worden van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Zij voerde aan dat haar werkzaamheden aansluiten bij de revalidatie en psychische zorg, en dat zij een kostenmaatschap met andere psychotherapeuten was aangegaan.
De inspecteur stelde dat de werkzaamheden niet als ergotherapie konden worden aangemerkt en dat het beroep van psychotherapeut destijds niet wettelijk was geregeld. Het hof concludeerde dat de wettelijke regeling van ergotherapie zich richt op het herstel van lichamelijk functioneren en revalidatie, en dat de diensten van belanghebbende niet het karakter van ergotherapie hebben.
Voorts oordeelde het hof dat geen sprake was van opgewekt vertrouwen door de inspecteur omtrent de vrijstelling. Ook werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen omdat de wetgever vrijstelling afhankelijk heeft gesteld van wettelijke regeling van het beroep.
Ten slotte werd het verzoek tot matiging van heffingsrente afgewezen omdat geen wettelijke grond bestaat voor vermindering bij vertraging in oplegging van naheffingsaanslagen. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de naheffingsaanslag en heffingsrente.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag inclusief heffingsrente bevestigd.