ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7533
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Faase
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onvoldoende bewijs herkomst waardepapieren
Belanghebbende werd bij een controle op Schiphol in maart 1996 aangetroffen met waardepapieren ter waarde van circa ¦ 119.477. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1995 op, stellende dat het bedrag als inkomen uit arbeid moest worden belast. Belanghebbende stelde dat de waardepapieren niet haar eigendom waren, maar dat zij deze tijdelijk beheerde namens haar oudere broer vanwege politieke onrust in Hong Kong.
Tijdens de procedure heeft belanghebbende haar stellingen onderbouwd met een verklaring van haar broer en documenten die het beheer van het vermogen bevestigen. Het Hof achtte deze verklaring aannemelijk, mede gelet op het taalgebrek van belanghebbende en het late tijdstip van confrontatie met de inspecteur.
De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag afkomstig was uit bronnen van inkomen zoals bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, noch dat het om in 1995 genoten arbeidsinkomen ging. Het Hof oordeelde daarom dat de navorderingsaanslag onterecht was opgelegd en vernietigde deze.
Daarnaast veroordeelde het Hof de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 4 oktober 2000.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1995 wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de waardepapieren aan belanghebbende toebehoren of belastbaar inkomen vormen.