ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7573

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
23-002384-99
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Asperen
  • Verspyck Mijnssen
  • Nijboer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22b SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens verduistering door ambtenaar bij gemeente Amsterdam

Verdachte was werkzaam als ambtenaar bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam, belast met het legen van parkeerautomaten. Gedurende bijna anderhalf jaar verduisterde hij samen met anderen geldbedragen uit deze automaten, waarbij de gemeente voor een aanzienlijk bedrag werd benadeeld. De financiële controle en leiding waren onvoldoende, maar dit ontslaat verdachte niet van verantwoordelijkheid.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleegde aan verduistering van geldbedragen in de periode van 1 juli 1996 tot 2 december 1997. Verdachte werd strafbaar geacht en er waren geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de bijzondere omstandigheden, waaronder het ontslag van verdachte als ambtenaar en een terugbetalingsregeling met de gemeente. Verdachte bood onbetaalde arbeid aan, waarop het hof inging. Het oplegde een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan de uitvoering werd opgeschort met een proeftijd van twee jaar, en veroordeelde tot 240 uur onbetaalde arbeid binnen een jaar na aanvang.

De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat er geruime tijd was verstreken sinds de feiten. Het hof sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met proeftijd en 240 uur onbetaalde arbeid.

Uitspraak

arrestnummer
rolnummer 23-002384-99
datum uitspraak 17 oktober 2000
tegenspraak
Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 november 1998 in de strafzaak onder parketnummer 13/128144-97 tegen
R.
1. Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 november 1998 en in hoger beroep van 24 maart en 3 oktober 2000.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaar-ding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud van de daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgeno-men.
3. Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.
4. De bewijslevering
Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij
op tijdstippen in de periode van 1 juli 1996 tot en met 2 december 1997 te Amsterdam, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens als ambtenaar, zijnde medewerker van de afdeling geldverkeer, een onderdeel zijnde van de afdeling Stadstoezicht, belast met het legen en ophalen van kannen (geldcassettes) van parkeerautomaten, opzettelijk geldbedragen, die hij en zijn mededaders telkens in hun bediening onder zich hadden, heeft verduisterd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De strafbaarheid van de feiten
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezenver-klaarde uitsluit, zodat dit straf-baar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft verduisteren, meermalen gepleegd.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte straf-baar is.
7. De op te leggen straffen
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten- en de omstandig-heden waar-onder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in be-schouwing geno-men.
Verdachte is als ambtenaar werkzaam geweest bij de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam. Als medewerker van de buitendienst van de afdeling geldverkeer was hem onder meer de taak opgedragen parkeerautomaten te legen. Aan verdachte was aldus het beheer toevertrouwd van grote hoeveelheden contant geld. Hij heeft het in hem gestelde vertrouwen echter op grove wijze beschaamd.
Gedurende een periode van bijna anderhalf jaar heeft hij, samen met een aantal collega’s, er een gewoonte van gemaakt bij het legen van de parkeerautomaten een deel van het daaruit afkomstige geld voor zichzelf te houden. Dusdoende heeft verdachte met zijn mededaders een grote hoeveelheid gemeenschapsgeld verduisterd, waarbij de gemeente Amsterdam voor een aanzienlijk bedrag is benadeeld. Het hof gaat ervan uit dat dit minimaal het bedrag is, dat thans onderwerp is van een door de verdachte en zijn mededaders met de gemeente Amsterdam getroffen terugbetalingsregeling.
In beginsel rechtvaardigen de bewezenverklaarde feiten de oplegging van een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangeboden onbetaalde arbeid ten algemenen nutte te verrichten.
De volgende feiten en omstandigheden brengen het hof ertoe in te gaan op het door de verdachte gedane aanbod.
Uit de stukken van het dossier, waaronder het over Stadstoezicht opgemaakte KPMG-rapport van 22 september 1997, blijkt dat ten tijde van de gepleegde verduisteringen de financiële controle op verdachte en zijn mededaders op schrijnende wijze tekortschoot, terwijl ook overigens de verantwoordelijke leidinggevenden zich onvoldoende van hun taak hebben gekweten. Deze omstandigheden raken de strafbaarheid van de feiten niet en ook moet verdachte in beginsel ten volle verantwoordelijk worden geacht voor zijn handelen. Het hof beziet de gepleegde verduisteringen evenwel in het licht van deze bijzondere omstandigheden en houdt daarmee bij de strafoplegging in voor verdachte gunstige zin rekening.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat verdachte bij wijze van straf is ontslagen als ambtenaar van de gemeente Amsterdam en dat hij met de gemeente een terugbetalingsregeling heeft getroffen, waardoor het door hem toegebrachte nadeel (gedeeltelijk) ongedaan wordt gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het de verdachte betreffende voorlichtingsrapport van 24 juni 1998, opgemaakt door R., reclasseringswerker in dienst van Reclassering Nederland, arrondissement Amsterdam, en van het ten name van verdachte gestelde uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 2 februari 2000, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld en na de thans bewezenverklaarde feiten niet meer met de strafrechter in aanraking is geweest.
Tenslotte heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat er sedert het plegen van de bewezenverklaarde feiten geruime tijd is verstreken en dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van het hof thans een onevenredig zware wissel zou trekken op verdachtes leven.
Al het voorgaande overwegende acht het hof de hierna onder 9. genoemde strafoplegging passend en geboden.
8. De toepasselijke wettelijke voorschriften
De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 47, 57 en 359 van het Wet-boek van Straf-recht.
9. De beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair tenlastegelegde fei-ten, zoals hierboven om-schreven, heeft begaan.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spr-eekt hem daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (ZES) MAANDEN.
Beveelt dat deze gevangenis-straf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schul-dig gemaakt.
Stelt de proeftijd vast op 2 (TWEE) JAREN.
en voorts
Veroordeelt de verdachte, in plaats van tot een onvoorwaarde-lijke gevange-nis-straf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN, tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 (TWEEHONDERD-VEERTIG) UREN, bestaande uit administratieve, verzor-gen-de, onderhouds- of schoonmaak-werkzaamheden.
Bepaalt dat deze arbeid aangevangen moet worden binnen 3 (DRIE) MAANDEN nadat dit arrest onherroepelijk is geworden.
Bepaalt de termijn binnen welke deze arbeid na aanvang dient te worden verricht op 12 (TWAALF) MAANDEN.
Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht op het te verrichten aantal uren onbetaalde arbeid in dier voege, dat daarop voor iedere in verzekering en voorlopige hechte-nis doorgebrachte dag 2 (TWEE) uren in mindering wordt gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen vermeld op de aan dit arrest als bijlage I gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechts-hof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Asperen, Verspyck Mijnssen en Nijboer, in tegen-woordig-heid van mr. Kuiper en Haesen als grif-fiers, en is uitge-sproken op de open-bare terecht-zit-ting van dit ge-rechtshof van 17 oktober 2000.