ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7695
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Ballegooijen
- Faase
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke toerekening van rentekosten uit vaststellingsovereenkomst bij certificaathandel binnen familie
In deze zaak staat centraal of de door X BV betaalde rente van f.5.750.000 uit een vaststellingsovereenkomst ten laste van haar winst kan worden gebracht. De certificaten van aandelen A BV waren in 1986 door junior gekocht van mevrouw B, die onder curatele stond. Junior sloot op diezelfde dag een voorovereenkomst waarin werd overeengekomen dat de certificaten voor rekening en risico van X BV, de op te richten vennootschap, kwamen.
Na een gerechtelijke procedure tussen de bewindvoerders van mevrouw B en junior werd vastgesteld dat de prijs van de certificaten te laag was, met een ondergrens van f.12.375.000. In 1994 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij junior een aanvulling op de koopsom en een schadevergoeding wegens gederfde rente betaalde, totaal f.15.000.000. Deze betaling werd door X BV gedaan.
Het hof oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst een bindende regeling is en dat de verplichtingen voortvloeien uit de voorovereenkomst, waardoor X BV deze verplichtingen rechtstreeks draagt. Verweerder had in een brief bevestigd dat de schadevergoeding aan X BV werd toegerekend. Het hof acht de rentebetaling reguliere rentekosten en geen onderdeel van de kostprijs van de certificaten.
Daarom wordt het beroep van X BV gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot nihil en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Het hof benadrukt dat er geen sprake is van onrechtmatige daad, maar van een civielrechtelijke vaststellingsovereenkomst.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag tot nihil, waarbij de rentekosten ten laste van de winst van X BV mogen worden gebracht.