ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7719
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beschikking aanloopverlies en verliesverrekening volgens Wet inkomstenbelasting 1964
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een beschikking van de Belastingdienst waarin het aanloopverlies over 1992 werd vastgesteld op ƒ 15.630,--. Dit verlies is onderdeel van het totale verlies van 1992, dat na een boekenonderzoek werd vastgesteld op ƒ 35.742,--. Belanghebbende stelde dat de afschrijving op inboedel van verhuurde panden onvoldoende was meegenomen en dat het aanloopverlies te laag was vastgesteld.
Het hof oordeelde dat de verhuur van panden geen ondernemingsactiviteit betrof en dat de inboedel niet tot het ondernemingsvermogen behoorde, waardoor een hogere afschrijving niet tot een hoger aanloopverlies kan leiden. Tevens werd bevestigd dat de Wet geen onderscheid maakt tussen aanloopverlies en overige verliezen bij verrekening met inkomens van voorgaande jaren. De verrekening van het verlies van 1992 met het inkomen van 1989 is volgens artikel 51, zesde lid, van de Wet correct toegepast.
Ook indien het verlies hoger zou zijn vastgesteld, zou dit niet leiden tot een hoger aanloopverlies. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de bestreden beschikking. Er werden geen proceskosten aan een partij opgelegd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beschikking van de Belastingdienst en verklaart het beroep ongegrond.