ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9341
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Faase
- Rechtspraak.nl
Aftrek studiekosten bij terugbetaling aan ouders wegens morele verplichting
Belanghebbende volgde in 1981 een opleiding tot beroeps- en verkeersvlieger, waarvoor zijn vader in 1981/1982 studiekosten betaalde van in totaal ƒ 58.803. In 1994 en 1995 betaalde belanghebbende bedragen aan zijn vader ter terugbetaling van deze kosten. Het geschil betrof de vraag of deze terugbetalingen aftrekbaar waren als studiekosten in de inkomstenbelasting 1995.
Het Hof stelde vast dat de betalingen van de vader verband hielden met de opleiding en niet met kosten van levensonderhoud. Hoewel geen afdwingbare leningsovereenkomst bestond, achtte het Hof aannemelijk dat belanghebbende een dringende morele verplichting voelde tot terugbetaling, waardoor de betalingen als voldoening van een aan de vader toekomende prestatie konden worden aangemerkt.
Het Hof concludeerde dat de terugbetaling in 1995 op belanghebbende drukte en daarom aftrekbaar was als studiekosten onder artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, onder aftrek van de drempel van ƒ 800. De aanslag werd verminderd en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De terugbetaling van studiekosten aan de vader op grond van een morele verplichting is aftrekbaar als kosten van opleiding in 1995.