Uitspraak
HET OPENBAAR MINISTERIE,
[verdachte] ,
5juni 1999 was pagina 23 van Het Parool geheel gewijd aan het Lima-onderzoek.
(wat betreft feit 3 primair)
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens deelname aan een criminele organisatie gericht op opzetheling en schuldheling van gelden afkomstig van drugshandel, met diverse wisseltransacties in buitenlandse valuta tussen 1995 en 1999. De tenlastelegging omvatte meerdere feiten met betrekking tot het ontvangen, bewaren, wisselen en overdragen van grote geldbedragen.
Het hof verklaarde delen van de dagvaarding nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheden, met name waar schuldheling werd genoemd als oogmerk van de organisatie en bepaalde tekstgedeelten over het voordeel trekken uit opbrengsten van misdrijf. De verdediging voerde onder meer schending van artikel 6 en Pro 8 EVRM aan vanwege politiepubliciteit en lekken aan journalisten.
Het hof oordeelde dat hoewel de privacy van verdachte door politie-informatie was geschonden, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Wel werd deze schending meegewogen bij de strafoplegging. Uiteindelijk achtte het hof het bewijs niet wettig en overtuigend en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werden diverse inbeslaggenomen voorwerpen teruggegeven of in bewaring gesteld.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.