ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0099
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens te late aangifte inkomstenbelasting in verhouding tot ernst verzuim
Belanghebbende deed zijn aangifte inkomstenbelasting over 1998 drie dagen te laat in, terwijl eerdere aangiften over de jaren 1994 tot en met 1997 ook te laat waren ingediend, variërend van twee dagen tot ruim vier maanden. De inspecteur legde een boete van ƒ 2.500 op op grond van artikel 67a van de AWR en § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.
Belanghebbende voerde aan dat de boete terugwerkende kracht bevatte en dat deze disproportioneel was gezien de geringe overschrijding. Het Hof oordeelde dat het meenemen van eerdere verzuimen niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel, omdat deze ook destijds strafbaar waren, en dat de boete op juiste wettelijke gronden was opgelegd.
Het Hof stelde echter vast dat de overschrijdingen relatief gering waren en dat de boete van ƒ 2.500 een wanverhouding vormde ten opzichte van de ernst van het feit. Daarom matigde het Hof de boete tot ƒ 500. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De boete wegens te late aangifte inkomstenbelasting wordt verminderd van ƒ 2.500 naar ƒ 500 wegens disproportionaliteit.