ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0434
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening niet-persoonlijke inkomensbestanddelen bij gehuwden volgens artikel 5 Wet IB
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de wijze waarop de inspecteur niet-persoonlijke inkomensbestanddelen in de inkomstenbelasting voor de jaren 1996 en 1998 had toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen. Hij verzocht om een verdeling van 50% van deze inkomensbestanddelen aan hem toe te rekenen, omdat hij en zijn echtgenote ongeveer evenveel verdienden en het om een groot financieel belang ging.
Het Hof verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (27 september 1989, nr. 24 279, BNB 1990/61) waarin is vastgesteld dat artikel 5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen verboden discriminatie oplevert en dat gehuwden fiscaal als een economische eenheid worden beschouwd. De wetgever heeft dit stelsel met ingang van 1973 gehandhaafd, ondanks mogelijke verschillen met ongehuwd samenwonenden, vanwege praktische en juridische overwegingen.
Belanghebbendes beroep op strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) werd verworpen. Het Hof oordeelde dat het belastingstelsel en de toerekening van inkomensbestanddelen aan de echtgenoot met het hoogste inkomen geoorloofd zijn en dat de wetswijziging in 2001 niet terugwerkende kracht heeft voor de jaren 1996 en 1998.
Het Hof wees het beroep af en veroordeelde de inspecteur niet tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak verving de mondelinge uitspraak van 15 november 2000 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de toerekening van niet-persoonlijke inkomensbestanddelen aan de echtgenoot met het hoogste arbeidsinkomen wordt ongegrond verklaard.