ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0435

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/992
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van der Ouderaa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 onderdeel b Wet IB 1964Art. 46 lid 14 Wet IB 1964Art. 38 lid 1 Wet IB 1964Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op aftrek koopsom natura-verzekering in ander jaar dan betaald

Belanghebbende had over 1998 aangifte gedaan met aftrek van buitengewone lasten, waaronder een bedrag dat hij wilde splitsen over 1998 en 1999. Hij betaalde in 1999 een eenmalige koopsom voor een natura-verzekering en wilde een deel daarvan als aftrek in 1998 opvoeren. De inspecteur had de voorlopige aanslag verminderd op basis van het verzoek van belanghebbende, maar bij de definitieve aanslag werd dit bezwaar afgewezen.

Het geschil betrof de vraag of de koopsom van ƒ 2.240 in 1998 in aftrek kon worden gebracht, terwijl betaling in 1999 plaatsvond. Het hof oordeelde dat op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aftrekbare kosten alleen in aanmerking kunnen worden genomen in het jaar van betaling, tenzij anders is voldaan, wat hier niet het geval was.

Belanghebbende stelde dat hij op basis van informatie van de Belastingdienst mocht vertrouwen op de aftrek in 1998, maar dit vertrouwen werd niet aannemelijk gemaakt. Ook de vermindering van de voorlopige aanslag gaf geen recht op aftrek in het definitieve aanslagjaar, mede vanwege het voorbehoud op het voorlopige aanslagbiljet.

Het hof concludeerde dat belanghebbende zich niet op rechtens te honoreren vertrouwen kan beroepen en verklaarde het beroep ongegrond. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting 1998 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Derde Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, de inspecteur, gedagtekend 3 februari 2000, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering voor het jaar 1998.
Het beroep is behandeld ter zitting van 8 februari 2001.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende heeft over 1998 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 12.846. Daarbij heeft hij een bedrag van ƒ 3.787 (ƒ 7.427 minus een drempel van ƒ 3.640) aan buitengewone lasten ter zake van ziekte etc. in aanmerking genomen. De inspecteur heeft, met dagtekening 23 maart 1999, een voorlopige aanslag conform de ingediende aangifte opgelegd. Op 14 april 1999 heeft de inspecteur een bezwaarschrift ontvangen. Belanghebbende schrijft hierin onder meer: “Verzocht wordt om de in 1999 betaalde eenmalige koopsom van f.4240,= t.b.v crematie/begrafenis kosten (natura verzekering) voor een gedeelte ad f.2240.= als buitengewone last in 1998 in aanmerking te mogen nemen. Het restant van f.2000.= wordt dan in het belastingjaar 1999 opgevoerd. (…) Het belastbaar inkomen 1998 wordt dan verlaagd naar f.10606,=”. De inspecteur heeft, met dagtekening 18 mei 1999, een nadere voorlopige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 10.606. De definitieve aanslag is gedagtekend 2 november 1999 en is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 12.846. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de definitieve aanslag bij de bestreden uitspraak afgewezen.
2. In 1999 heeft belanghebbende een natura-verzekering afgesloten bij A N.V. te B. Belanghebbende is de verzekerde. De ingangsdatum van de polis is 1 maart 1999. Vaststaat dat belanghebbende in 1999 een eenmalige koopsom ad ƒ 4.240 heeft betaald.
3. In geschil is of belanghebbende op grond van artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) ter zake van de genoemde koopsom ƒ 2.240 op zijn inkomen in mindering kan brengen, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt.
4. Belanghebbende heeft gesteld dat hij bij een ambtenaar van de Belastingdienst geïnformeerd heeft of het mogelijk was om de kosten van de koopsompolis voor een deel (ƒ 2.240) als buitengewone last in 1998 op te voeren en het restant (ƒ 2.000) in 1999 op te voeren en dat hij daarop een bevestigend antwoord heeft gekregen, waarna hij de gewijzigde aangifte op 9 april 1999 aan de inspecteur heeft gezonden.
5. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat verzoeken om vermindering van een voorlopige aanslag op basis van door de belastingplichtige gegevens zonder meer gehonoreerd worden en dat de verificatie van die gegevens pas later, bij het opleggen van de definitieve aanslag, plaatsvindt. Voorts heeft hij verklaard dat de ambtenaar die het verzoek om vermindering van de voorlopige aanslag behandelt, dat verzoek niet inhoudelijk hoeft te beoordelen en dat de Belastingdienst op de achterkant het voorlopige-aanslagbiljet uitdrukkelijk aangeeft dat aan een voorlopige aanslag geen rechten kunnen worden ontleend.
6. Op grond van artikel 46, veertiende lid, Wet IB vindt artikel 38, eerste lid, Wet IB met betrekking tot de buitengewone lasten overeenkomstige toepassing. Artikel 38, eerste lid, Wet IB luidt: “Aftrekbare kosten worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.”
7. Belanghebbende heeft de kosten in 1999 betaald. Niet gesteld of gebleken is dat de kosten of een deel daarvan in enig ander jaar verrekend zijn of door belanghebbende ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. Daarom kunnen de kosten in het onderhavige jaar niet op het inkomen van belanghebbende in aftrek worden gebracht.
8. De stelling van belanghebbende dat zijn standpunt is gebaseerd op informatie van de Belastingdienst is niet nader met feiten onderbouwd. Dat sprake is geweest van een toezegging is niet aannemelijk gemaakt. Voorts geldt in dit verband dat de inspecteur weliswaar niet heeft uitgesloten dat sprake is van inlichtingen verstrekt door de belastingtelefoon, maar niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende als gevolg van de mogelijkerwijs verstrekte inlichtingen nadeel heeft geleden. Hierbij wordt onder nadeel niet de omstandigheid verstaan dat er meer belasting dient te worden voldaan dan door belanghebbende werd aangenomen. Nu aan deze zogenoemde dispositie-eis niet is voldaan, kan aan de gestelde inlichtingen geen rechtens te honoreren vertrouwen worden ontleend.
9. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat vertrouwen is te ontlenen aan de vermindering van de voorlopige aanslag oordeelt het Hof als volgt. In het algemeen is de inspecteur, wanneer hij na een daartoe strekkend verzoek van de belastingplichtige een eerder opgelegde voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen ambtshalve vermindert, niet verplicht om een zelfde standpunt in te nemen bij de vaststelling van de definitieve aanslag voor hetzelfde jaar. Deze regel geldt ook in het onderhavige geval, mede gelet op het, naar het Hof aannemelijk acht, in het voorlopige-aanslagbiljet opgenomen voorbehoud dat aan de voorlopige aanslag geen rechten kunnen worden ontleend. Het vorenstaande zou anders kunnen zijn indien belanghebbende er redelijkerwijs vanuit heeft mogen gaan dat de inspecteur het verzoek om de vermindering van de voorlopige aanslag aan een grondig onderzoek heeft onderworpen. Deze omstandigheid heeft zich echter niet voorgedaan. Nu voorts tussen de inspecteur en belanghebbende ook geen overleg over de vermindering van de voorlopige aanslag of de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden heeft plaatsgevonden, kan belanghebbende zich niet op in rechte te honoreren vertrouwen beroepen.
10. Op grond van het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur.
11. Het Hof acht geen termen aanwezig om de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 22 februari 2001 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.