ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1474
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Boumans
- Schreuder
- Van Altena
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vervolging arts voor euthanasie en hulp bij zelfdoding
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 8 mei 2001 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank Haarlem van 30 oktober 2000, betreffende een arts die vervolgd wordt voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was vanwege schending van de redelijke termijn, het vertrouwensbeginsel, en onzorgvuldigheid door het niet voorleggen aan de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTC).
Het hof oordeelde dat de redelijke termijn pas begon te lopen bij de uitnodiging voor het gerechtelijk vooronderzoek op 23 september 1999, en dat sindsdien de vervolging voortvarend verliep. De stelling dat vergelijkbare zaken niet werden vervolgd leidde niet tot niet-ontvankelijkheid. Ook was er geen verplichting om de zaak aan de RTC voor te leggen, mede omdat de RTC pas vanaf 1 november 1998 functioneerde en de zaak daarvoor speelde.
De vervolging werd als legitiem beoordeeld, ondanks dat deskundigen hadden bevestigd dat de arts volgens de geldende zorgvuldigheidseisen had gehandeld. Het hof besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen, en deskundigen te horen over de legitimatie van euthanasie in gevallen van psychisch lijden zonder somatische oorzaak, en over de taak van de arts bij euthanasie aan hoogbejaarde patiënten met psychisch lijden.
De zaak wordt hervat op een nader te bepalen datum, waarbij de deskundigen, verdachte en diens raadsvrouw worden opgeroepen. Het hof bevestigde hiermee de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en stelde het belang van een zorgvuldige juridische en medische toetsing centraal.
Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk en schorst het onderzoek voor deskundigenadvies over euthanasie bij psychisch lijden.