ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1730
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Van der Ouderaa
- Onnes
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke waardering van verkoopprijs aandelen Beheer BV
Belanghebbende verkocht in 1996 zijn aandelen in Beheer BV aan Holding B.V. voor een koopsom van ƒ 20 miljoen, waarvan hij een deel contant ontving en een deel via een geldlening aan Holding B.V. De discussie betrof de waardering van een vordering van ƒ 3,600,000 die onderdeel uitmaakte van de koopprijs. Belanghebbende stelde dat deze vordering lager gewaardeerd moest worden dan de nominale waarde vanwege het risico en de feitelijke aflossingen.
Het hof stelde vast dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de vordering lager was dan de nominale waarde op het moment van de aandelenverkoop. De geldleningsovereenkomst tussen E BV en Holding B.V. bevestigde de nominale waarde van de lening. Ook was er geen bewijs dat belanghebbende een aparte lening aan Holding B.V. had verstrekt voorafgaand aan de geldleningsovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de waarde van de vordering moet worden bepaald naar de toestand ten tijde van de vervreemding en dat latere waardeveranderingen buiten beschouwing blijven. Omdat belanghebbende geen bewijs leverde dat de waarde lager was, werd de aanslag gehandhaafd. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.