ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2467
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Den Boer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afschrijving op ter belegging aangehouden praktijkruimtes in monumentaal pand
Belanghebbende was eigenaar van een monumentaal pand met praktijkruimtes en woonruimte, dat hij na restauratie verhuurde. Hij schreef jaarlijks 3% af op de investering in de praktijkruimtes, uitgaande van een economische gebruiksduur van 33 1/3 jaar en een restwaarde van 25%.
De inspecteur weigerde deze afschrijving en stelde een gebruiksduur van 10 jaar vast, gebaseerd op het voornemen van belanghebbende om het pand binnen korte termijn te verkopen, en verwees naar een besluit van de staatssecretaris van Financiën. Het hof oordeelde dat de subjectieve gebruiksduur niet relevant is en dat de afschrijving moet worden bepaald vanuit de onroerende zaak zelf.
Het hof verwierp het standpunt van de inspecteur dat geen waardevermindering mogelijk is vanwege een subsidie en onderhoudsverplichting, en achtte de door belanghebbende voorgestelde gebruiksduur en restwaarde aannemelijk. Het hof stelde de jaarlijkse afschrijving vast op ƒ 8.240 en corrigeerde daarmee de belastbare inkomens voor 1996 en 1997.
Daarnaast veroordeelde het hof de inspecteur in de proceskosten en bepaalde een vergoeding van ƒ 1.420 ten gunste van belanghebbende. Het beroep werd gegrond verklaard en de aanslagen verminderd.
Uitkomst: Het hof stelde de afschrijving op praktijkruimtes vast op 3% met een restwaarde van 25%, vernietigde de aanslagen en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.