ECLI:NL:GHAMS:2001:AD3941
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van werknemersopties, afwaardering onroerend goed en liquidatieverlies bij internationale concernhoudster
Belanghebbende, een houdstermaatschappij van een internationaal concern, voerde in 1990 diverse fiscale kwesties aan, waaronder de waardering van werknemersopties toegekend in 1988, de afwaardering van het bedrijfspand A-weg 1 te C vanwege bodemvervuiling, de desinvesteringsbetaling bij verbreking van de fiscale eenheid en het liquidatieverlies van haar Franse dochtermaatschappij D S.A.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen voorziening hoefde te vormen voor de werknemersopties en dat de waarde van de opties geen invloed had op het fiscale resultaat. Ten aanzien van A-weg 1 werd geoordeeld dat afwaardering naar een lagere vrije verkoopwaarde in strijd is met goed koopmansgebruik, omdat het pand verhuurd bleef conform de oorspronkelijke exploitatie. Ook werd vastgesteld dat een voorziening voor bodemsanering niet toegestaan was, omdat niet aannemelijk was dat per ultimo 1990 saneringskosten met redelijke zekerheid zouden optreden.
De desinvesteringsbetaling werd vastgesteld op basis van een waarde van het pand van ƒ 5 miljoen, rekening houdend met bodemverontreiniging. Ten slotte werd het liquidatieverlies van de Franse dochtermaatschappij D S.A. deels in aanmerking genomen, waarbij het Hof oordeelde dat de door de accountant gehanteerde voorziening een boekhoudkundige verwerking van badwill was en niet leidde tot dubbele aftrek van verliezen.
Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het Hof vermindert de aanslag vennootschapsbelasting 1990 en oordeelt dat geen voorziening voor werknemersopties of bodemsanering hoeft te worden gevormd, de desinvesteringsbetaling wordt vastgesteld op ƒ 625.000 en een deel van het liquidatieverlies wordt in aanmerking genomen.