ECLI:NL:GHAMS:2001:AD4462
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Goes
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek lijfrentepremies na aangifte wegens niet tijdig indienen
Belanghebbende deed aangifte inkomstenbelasting over 1999 zonder het verzoek om een in 2000 betaalde lijfrentepremie van ¦ 30.000 als betaald in 1999 aan te merken. De inspecteur legde de aanslag vast conform de aangifte. Belanghebbende verzocht later via een brief van 8 augustus 2000 correctie van de aangifte, wat werd afgewezen omdat het verzoek niet tijdig was ingediend.
Het geschil betrof de vraag of de lijfrentepremies, betaald op 29 juni 2000, toch konden worden toegerekend aan 1999 ondanks het ontbreken van het verzoek bij de aangifte. Het hof oordeelde dat artikel 45b, tweede lid, Wet IB vereist dat het verzoek bij de aangifte wordt gedaan, en dat het recht vervalt indien dit niet gebeurt.
De ontstaansgeschiedenis van de wet benadrukt dat de uitzondering bedoeld is om belastingplichtigen de mogelijkheid te geven het bedrag van de premies aan te passen op basis van het inkomen, maar dit moet binnen de aangifte gebeuren. Ook de voorwaarden uit de Staatssecretarisresolutie van 24 juni 1993 werden niet gehaald. Daarom verklaarde het hof het beroep ongegrond en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het verzoek om lijfrentepremies in aanmerking te nemen niet tijdig bij de aangifte is gedaan.