ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7687
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Kostense
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep op aftrek buitengewone lasten studiekosten bij prestatiebeurs
Belanghebbende volgde in 1999 een beroepsopleiding en ontving gedurende zes maanden een prestatiebeurs op grond van de Wet op de studiefinanciering. De prestatiebeurs was voorwaardelijk toegekend als lening, waarvan nog niet definitief vaststond of deze zou worden omgezet in een beurs.
De inspecteur weigerde de aftrek van buitengewone lasten wegens studiekosten, stellende dat deze pas aftrekbaar zijn in het jaar waarin definitief wordt vastgesteld of de lening wordt omgezet. Belanghebbende voerde aan dat zij voor het gehele jaar recht heeft op aftrek van het verschil tussen de normbedragen voor studiekosten en de ontvangen beursbedragen.
Het hof oordeelde dat artikel 46, tiende lid, Wet IB 1964 van toepassing is op het gehele jaar 1999 en dat de aftrekbare studiekosten het verschil vormen tussen de normbedragen en de ontvangen beurs. Het standpunt van de inspecteur werd verworpen op grond van het landelijke beleid en de wetsgeschiedenis. Het hof vernietigde de bestreden uitspraak, verminderde de aanslag en gelastte vergoeding van griffierecht.
Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen aannemelijk gemaakte kosten waren gemaakt. De uitspraak werd gedaan door het lid van de belastingkamer Kostense op 29 november 2001.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag op basis van aftrek van het verschil tussen genormeerde studiekosten en ontvangen prestatiebeurs.