ECLI:NL:GHAMS:2001:AE3235

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/1802
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 1 onderdeel c Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oordeel over kwalificatie activiteiten als opleiding voor beroep wiskundedeskundige

De echtgenoot van belanghebbende, met een achtergrond in experimentele natuurkunde en ervaring als leraar wiskunde, is sinds 1983 werkloos. Vanaf 1997 verrichtte hij activiteiten ter verbreding van zijn kennis in wiskunde-onderwijs.

Het geschil betreft de vraag of deze activiteiten kwalificeren als opleiding voor een beroep volgens artikel 46, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het hof oordeelt dat het redelijkerwijs verwacht moet kunnen worden dat de echtgenoot zijn kennis productief kan inzetten en zijn maatschappelijke positie kan verbeteren.

Gezien zijn leeftijd, werkloosheidsverleden en de beperkte kansen op de deelmarkt voor wiskunde-onderwijs, acht het hof dit niet aannemelijk. Ook het feit dat hij nauwelijks heeft gesolliciteerd en geen reactie ontving, ondersteunt dit oordeel. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de activiteiten niet als opleiding voor een beroep kwalificeren.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vijftiende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 7 mei 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999.
Het beroep is behandeld ter zitting van 21 november 2001.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. De echtgenoot van belanghebbende (hierna: de echtgenoot), geboren in 1942, heeft in 1969 het doctoraal examen experimentele natuurkunde behaald met als bijvak wiskunde. Hierna heeft hij acht dienstbetrekkingen vervuld, waarvan drie als leraar wiskunde. Sinds 1983 is de echtgenoot werkloos. Vanaf de tweede helft van 1997 verricht hij activiteiten ter verbreding en verdieping van zijn kennis van en inzicht in delen van het wiskunde-onderwijs.
2. In geschil is of de hiervoor bedoelde activiteiten zijn aan te merken als opleiding of studie voor een beroep als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Daarvoor is naar 's Hofs oordeel onder meer vereist dat in redelijkheid valt te verwachten dat de echtgenoot zijn verworven kennis en vaardigheden productief zal kunnen maken en aldus zijn maatschappelijke positie kan verbeteren. In het onderhavige geval brengt dat mee dat redelijkerwijs te verwachten moet zijn dat hij in de toekomst een functie zal kunnen vervullen als deskundige wiskunde-onderwijs, de functie met het oog waarop hij stelt de studie te hebben ondernomen.
3. Wat er zij van de intenties en persoonlijke verwachtingen van de echtgenoot, naar ervaringsregels zijn de kansen op herintreding in het algemeen helaas slecht voor iemand met leeftijd, arbeids- en werkloosheidsverleden als die van de echtgenoot. Daarbij komt dat de deelmarkt waarop hij zich zegt te richten (instellingen waar gewerkt wordt aan leerstof- en leerplanverbetering en -ontwikkeling, nomenclatuurbeschrijving, examenprogramma's etcetera op het gebied van wiskunde-onderwijs) naar zijn eigen inschatting slecht is. Tenslotte: hoewel kennis van de geschiedenis van een vakgebied in het algemeen vruchtbaar is voor de verdere ontwikkeling daarvan, acht het Hof niet aannemelijk dat bestudering van voornamelijk die geschiedenis (belanghebbende besteedde aan oude boeken meer dan ƒ 6.000, aan nieuwe ƒ 221) zijn (volgens hemzelf toch al niet rooskleurige) kansen vergroot op een betrekking in de door hem beoogde sector. Met het voorgaande strookt zijn verklaring ter zitting dat hij in het onderhavige jaar (1999) niet heeft gesolliciteerd naar vacatures in die sector en dat hij nadien één open sollicitatie heeft ingezonden, waarop hij tot de dag van de zitting, ongeveer tien maanden later, nog geen antwoord had gekregen. Het voren-overwogene brengt het Hof tot het oordeel dat het gestelde subjectieve streven van de echtgenoot naar verbetering van zijn maatschappelijke positie naar objectieve maatstaven onvoldoende kansrijk is om zijn activiteiten aan te merken als opleiding of studie voor een beroep als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomsten-belasting 1964. Het gelijk is aan de inspecteur.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 5 december 2001 door mr. Van Maanen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.