ECLI:NL:GHAMS:2002:AF3718
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Van der Ouderaa
- Blokland
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over restwaarde bepaling afschrijving pand in inkomstenbelasting
Belanghebbende, samen met een vennoot eigenaar van een pand uit 1905, betwistte de door de inspecteur gehanteerde restwaarde van ƒ 90.000 voor de afschrijving van het pand in de inkomstenbelasting 1997. Het pand werd gebruikt voor hun makelaardij en zij rekenden het tot hun ondernemingsvermogen.
Belanghebbende stelde dat de fundering slecht was en dat de restwaarde nihil moest zijn, onder meer omdat hergebruik van de fundering niet mogelijk zou zijn. Tevens voerde hij aan dat hij op grond van de aanslag 1996 mocht vertrouwen op een restwaarde nihil. De inspecteur stelde dat de restwaarde minimaal ƒ 90.000 bedroeg, gebaseerd op taxaties en een economische levensduur van circa 20-30 jaar.
Het Hof oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende ligt om aan te tonen dat de restwaarde lager is dan ƒ 90.000, hetgeen niet is gelukt. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat de restwaarde niet uitdrukkelijk was vastgesteld in de aangifte 1996. Het Hof verwierp het subjectieve gebruiksduurcriterium van belanghebbende en bevestigde de restwaarde van ƒ 90.000. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de restwaarde van ƒ 90.000 wordt bevestigd.