ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5961
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Slijpen
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde door cultuurgrondvrijstelling voor landbouwgrond met paarden in de kost
Belanghebbende, een landbouwer met paarden in de kost, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en grond. De gemeente stelde de waarde oorspronkelijk vast op ƒ 755.000, na bezwaar verlaagd tot ƒ 650.000. Belanghebbende betwistte deze waardering en voerde onder meer aan dat de taxatie onjuist was en dat de cultuurgrondvrijstelling van toepassing moest zijn.
Het hof oordeelde dat de taxatie van de gemeente deugdelijk was, waarbij vergelijkbare stolpwoningen als referentie werden gebruikt. Er was voldoende rekening gehouden met gebreken, ligging en de aanwezigheid van asbest. De financiële situatie van belanghebbende is volgens het hof niet relevant voor de waardebepaling.
Ten aanzien van de cultuurgrondvrijstelling stelde het hof vast dat de grond deels werd gebruikt voor landbouw (teelt van aardappelen, anemonenzaad, gras en hooi) en deels voor het in de kost hebben van paarden. Het gedeelte voor paarden werd niet als landbouwgrond aangemerkt omdat het niet gericht is op het laten groeien en voeden van gewassen. Daarom werd de waarde van dat gedeelte van de grond buiten de waardering gelaten, wat leidde tot een verlaging van de WOZ-waarde met ƒ 35.000.
Het hof veroordeelde de gemeente tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak werd mondeling gedaan op 26 november 2002.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt verminderd tot ƒ 615.000 vanwege de cultuurgrondvrijstelling voor landbouwgrond, waarbij grond voor paarden in de kost niet als landbouwgrond wordt aangemerkt.