ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5491
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Verspyck Mijnssen
- Scholten
- De Winter
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel bij heling
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2002, waarin het openbaar ministerie vorderde dat veroordeelde een bedrag van ruim € 2,6 miljoen aan de staat zou betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde was eerder bij vonnis van 5 december 2000 veroordeeld wegens heling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete.
De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was vanwege overschrijding van de redelijke termijn en dat veroordeelde geen aandeel had in het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof verwierp deze verweren, omdat de verdediging geen feitelijke grondslag had voor de overschrijding en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat veroordeelde niet betrokken was bij het voordeel.
Het hof overwoog dat de ontnemingsvordering slechts kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, en dat de vordering tijdig was ingesteld binnen de wettelijke termijn van twee jaar na het vonnis in eerste aanleg. De eerdere betaling van het voordeel door een medeveroordeelde werd niet aannemelijk gemaakt. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en legde de verplichting tot betaling van het bedrag aan de veroordeelde op.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.634.618,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.