ECLI:NL:GHAMS:2003:AF5500
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Verspyck Mijnssen
- Scholten
- De Winter
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2002, waarin veroordeelde werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van ruim 20 miljoen euro ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift.
De raadsman van veroordeelde voerde aan dat het strafrechtelijk financieel onderzoek onredelijk lang had geduurd en dat dit in strijd was met artikel 6 EVRM Pro. Tevens werd betoogd dat het systeem van de ontnemingswetgeving de verdediging benadeelde doordat zij geen getuigen kon laten horen over de hoogte van het ontnemingsbedrag. Ook werd aangevoerd dat een vordering tot ontneming niet naast een schadevergoedingsvordering mocht bestaan wegens ne bis in idem.
Het hof verwierp deze verweren. De termijn voor het aanhangig maken van de ontnemingsvordering was niet overschreden en het systeem van ontneming is niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Het hof oordeelde dat de ontnemingsprocedure een zelfstandig oordeel vereist en dat de verdediging niet in redelijkheid werd geschaad door het afwijzen van getuigenverzoeken. De vordering tot ontneming bleef ook naast de schadevergoedingsvordering bestaan zolang deze laatste niet was voldaan.
Het arrest bevestigt het vonnis van de rechtbank en legt de verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag aan veroordeelde op, met de mogelijkheid tot hechtenis bij gebreke van betaling.
Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering en verplicht veroordeelde tot betaling van ruim 20 miljoen euro.