ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6407

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/04356 PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van de Merwe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 URWWArt. 24 URWWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen uitsluiting spaarloonregeling voor dga en partner

Belanghebbende X B.V., enig aandeelhouder van A BV, voerde een spaarloonregeling voor haar twee werknemers, de dga en diens echtgenote. De inspecteur legde naheffingsaanslagen loonbelasting op omdat deze regeling uitgesloten werd op grond van artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling werknemers-spaarregelingen en winstdelingsregelingen (URWW).

Belanghebbende stelde dat ook de werknemers van haar dochtervennootschap, die een gelijkluidende regeling had, in de beoordeling betrokken moesten worden, en dat sprake was van één gezamenlijke regeling binnen het concern. Het hof verwierp dit, stellende dat een werknemersspaarregeling per inhoudingsplichtige moet worden beoordeeld en dat de regeling niet kan worden samengevoegd met die van een dochtervennootschap.

Verder stelde belanghebbende dat artikel 23 URWW Pro onverbindend was en een ongeoorloofd onderscheid maakte tussen situaties met alleen de dga en partner als werknemers versus situaties met meerdere werknemers. Het hof oordeelde dat de ministeriële regeling binnen de bevoegdheid viel en dat het onderscheid gerechtvaardigd was vanwege uitvoerbaarheid.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden. De uitspraak werd op 5 maart 2003 mondeling uitgesproken door het lid van de belastingkamer Van de Merwe.

Uitkomst: Het beroep van X B.V. tegen de naheffingsaanslagen loonbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Achttiende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende,
tegen
twee uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 16 oktober 2001, betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de tijdvakken 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 en 1 januari 1998 tot en met 31 januari 2001.
Het beroep is behandeld ter zitting van 19 februari 2003.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende is enig aandeelhouder van A BV. Tot A BV staan ongeveer 20 werknemers in dienstbetrekking. Belanghebbende heeft twee werknemers, B en zijn echtgenote. B houdt een aanmerkelijk belang in belanghebbende. Ten behoeve van haar werknemers heeft belanghebbende - evenals A BV - een spaarloonregeling en een premiespaarregeling (hierna ook: werknemersspaarregelingen) getroffen. In geschil is of de door belanghebbende getroffen regelingen zijn uitgesloten als spaarloonregeling en als premiespaarregeling op grond van artikel 23 van Pro de Uitvoerings-regeling werknemers-spaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: URWW).
2. Belanghebbende stelt dat voor de beoordeling of de regeling dienstbaar is aan de bevordering van duurzaam bezit van werknemers in voldoend brede kring niet slechts naar haar moet worden gekeken, maar ook naar haar hiervoor onder 1 vermelde dochtervennootschap, die ten behoeve van haar werknemers een gelijkluidende spaarloonregeling hebben getroffen. Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van één spaarloonregeling die geldt zowel voor haar werknemers als voor de werknemers van haar vorenbedoelde dochtervennootschap, is het Hof van oordeel dat daarvan geen sprake kan zijn, nu een werknemersspaarregeling naar haar aard een regeling is die door een inhoudingsplichtige wordt getroffen ten behoeve van haar werknemers. Dat een andere inhoudingsplichtige die tot hetzelfde concern behoort een gelijkluidende regeling heeft getroffen, doet daaraan niet af. Voor zover belanghebbende stelt dat zij te zamen met haar vorenbedoelde dochtervennootschappen een economische eenheid vormt die als een concern functioneert en dat daarom de werknemers van de dochtervennootschappen ook in de beschouwing moeten worden betrokken, verwerpt het Hof haar stelling, omdat artikel 23 van Pro de URWW, gelezen in samenhang met artikel 24 van Pro de URWW, slechts de werknemers van de inhoudingsplichtige in de beschouwing betrekt.
3. Belanghebbende stelt dat artikel 23 van Pro de URWW onverbindend is, omdat deze niet kan worden gedragen door de wet waarop zij berust. Naar het oordeel van het Hof zijn de ministeriële regelgevers met voormeld artikel 23 niet Pro buiten de aan hen gedelegeerde bevoegdheid getreden (Hoge Raad 15 december 1999, nr. 32.263, BNB 2000/211).
4. Belanghebbende stelt - zo begrijpt het Hof - dat artikel 23 van Pro de URWW een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen enerzijds belastingplichtigen die als enige of slechts te zamen met hun echt-ge-noot of partner in dienst zijn bij een vennootschap waarin zij een aanmerkelijk belang hebben, terwijl bij een dochtervennootschap andere werknemers in dienst zijn en anderzijds be-lastingplichtigen die in dienst zijn bij een vennootschap waarin zij een aanmerkelijk belang hebben, terwijl bij die vennootschap ook andere werknemers in dienst zijn. Naar het oor-deel van het Hof heeft de ministeriële regelgever er omwille van de uitvoerbaarheid in rede-lijkheid van kunnen afzien een afwijkende regeling te treffen voor de situatie waarin bij een inhoudingsplichtige een grootaandeelhouder en zijn echtgenoot of partner in dienst zijn, ter-wijl bij een tot hetzelfde concern behorende vennootschap andere werknemers in dienst zijn.
5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 5 maart 2003 door mr. Van de Merwe, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.